Hanneke Leenders
     
 

 

LEERKRACHT OP CURAÇAO

Medio september 2006 stond er een oproep in het 'Mededelingenblad van de Bond van Gepensioneerden van de Nederlandse Antillen'. Hierin verzocht de redactie de leden hun interessante, humoristische of belangrijke ervaringen, opgedaan tijdens hun werkzame periode op een van de eilanden, eens op schrift te zetten en in te zenden voor de rubriek 'Herinneringen aan....'

Bij wijze van proef heb ik een van mijn belevenissen opgeschreven en ingestuurd. De redactie reageerde enthousiast en vroeg mij of er nog meer van dit soort verhalen in de pen zat. Dit leidde tot een achttal afleveringen: alles waar gebeurde belevenissen, waarvan de eerste in het Kerstnummer 2006 verscheen en de andere in de daaropvolgende nummers - 3 per jaar - gepubliceerd zijn of worden.

Van verschillende zijden werd mij gevraagd of het niet mogelijk was deze acht delen te bundelen, zodat ook anderen er kennis van konden nemen. Het resultaat ligt voor U.

Vaals, december 2007
Ger Leenders

Op verzoek van de redactie van het 'Mededelingenblad', die een kerstverhaal voor het decembernummer 2008 wenste, heb ik 'Kerstmis 1963' geschreven. Het is als bijlage achterin opgenomen en past chronologisch tussen deel 2 en 3.

Vaals, december 2008

Landhuis Santa Cruz

A. JE BENT JONG EN JE WILT EENS WAT

In mijn hele, bijna 75-jarige leven hebben toevalligheden - optimisten noemen het kansen - een grote rol gespeeld, zoals onder andere uit de loop van mijn verhaal zal blijken.

Nadat ik mijn H.B.S.-A-diploma had behaald moest ik meteen in militaire dienst. Twee jaar later zwaaide ik af als reserveofficier. Op 1 april 1955 begon ik aan een betaalde spoedopleiding voor onderwijzers en werd ruim een jaar later, op 1 september 1956, voor de leeuwen geworpen aan de Lagere School in mijn geboorteplaats Vaals. Daar werd ik geacht mee te werken aan het opvangen van de naoorlogse geboortevloedgolf en werd ik, niet gehinderd door veel opleiding of ervaring, in de gymzaal belast met het lesgeven aan 57 (!) 10-jarige vierdeklassers. Voor sommige vakken kwamen er nog 12 jongens uit een parallelklas bij: 69 in totaal! Tegenwoordig zouden dat 3 goed gevulde klassen zijn. Na 2 weken had ik mijn eerste zenuwcrisis, maar alles went, de klassen werden allengs kleiner en ik vond zelfs nog de tijd om de (oude) hoofdakte te behalen en aan de akte Duits L.O. te beginnen. Langzaam maar zeker echter werd het gevoel van 'is that all there is?' steeds sterker. Ik wilde weg; het liefst zo ver mogelijk.

Van een van mijn broers, die sinds 1946 bij de politie op Curaçao was en al 2 keer met verlof in Nederland geweest was, wist ik, dat er daar vacatures bij het onderwijs waren. Maar ik wist ook, dat je er alleen als getrouwd man aan de slag kon. En ik had niet eens verkering. Toen leerde ik een leuk meisje kennen - mijn huidige vrouw - en het klikte meteen. Mijn Curaçao-aspiraties kon ik weliswaar vergeten, dacht ik, want zij was een enig kind, in beide betekenissen. Toen er na een half jaar verkering echter trouwplannen kwamen, bleek er door de enorme woningnood de eerste 5 jaar geen woning beschikbaar te zijn.

Deze streep door de rekening veroorzaakte diepe teleurstelling. Halfslachtig opperde ik nog, dat ik wel aan een huis wist te komen, maar dan wel zo'n 8000 kilometer hier vandaan, op Curaçao. Tot mijn stomme verbazing was mijn aanstaande meteen laaiend enthousiast; iets waarop ik niet gerekend had. Enfin, na 2 sollicitaties bij de Fraters van Tilburg en de Broeders van Dongen had ik al drie weken later een frater uit Tilburg bij mij in de klas om mijn lesgeven te beoordelen. Medio december 1960 was ik aangenomen en na een tropenkeuring in Den Haag kregen wij te horen, dat wij geacht werden op 2 maart 1961 vanuit Southampton per Italiaanse vrachtboot naar Curaçao te vertrekken. En dat terwijl wij nog geen definitieve trouwplannen hadden, geen huisraad, geen meubels, enz. enz.

Van mijn broer en zijn vrouw uit Curaçao hadden wij inmiddels het dringend advies gekregen zoveel mogelijk meubels, huisraad e.d. mee te nemen, aangezien daar op Curaçao moeilijker aan te komen was dan in Nederland. Een vriend van een collega was schoolmeubelfabrikant met als vooropleiding (en hobby) meubelontwerper. Hij ging meteen voor ons aan de slag en fabriceerde een set systeemmeubelen, hoofdzakelijk bestaande uit zwartgemoffelde stalen dragers en kunststof kastjes, alles dus op pootjes en tropenverlijmd, hypermodern, kortom: het neusje van de zalm. We hadden daarmee dan ook veel bekijks, in Nederland zowel als later op Curaçao.

Een en ander leidde echter tot vertraging, waardoor we de deadline dreigden te missen. Het voornaamste - en onoverkomelijke - bezwaar echter kwam van de zijde van mijn schoonmoeder, die haar veto uitsprak over de trouwdatum, met name voor het kerkelijk huwelijk. Die datum zou n.l. in de vastentijd vallen en dat betekende in katholieke kringen indertijd, dat het om een 'moetje' ging: de bruid was zwanger! Dit was onaanvaardbaar, dus werd het burgerlijk huwelijk gesloten op Aswoensdag - in de vastentijd dus - en het kerkelijk huwelijk 7 weken later, op de woensdag na Pasen.


B. DE LOTGEVALLEN VAN EEN VERHUISKIST

Met de 'Simon von Utrecht', een Duitse vrachtboot met passagiersaccommodatie zouden we op 14 april 1961 vanuit Bremerhaven rechtstreeks naar Curaçao vertrekken.
 

'Simon von Utrecht'

Uiterlijk op maandag 10 april moest onze verhuiskist van ruim 11 kubieke meter in Rotterdam zijn, waar ze als ruimlading aan boord genomen zou worden. Daarna voer onze boot naar Bremerhaven om aldaar enkele tientallen peperdure BMW- en Mercedes sportauto's in te laden, bestemd voor Los Angeles, de eindbestemming van onze boot. Onze kist met ons hele hebben en houden werd ruim op tijd in Rotterdam aangeleverd. Wij waren dan ook verbijsterd, toen wij dinsdags een telefoontje kregen van de vertegenwoordiger van de scheepvaartmaatschappij, dat onze boot onverrichter zake uit Rotterdam naar Bremerhaven vertrokken was, omdat onze kist er niet was.

Omdat een telefoontje met de stuwadoorsmaatschappij geen duidelijkheid verschafte, togen wij 's woensdags naar Rotterdam om verhaal te halen. Daar was men inmiddels te weten gekomen, dat onze kist een dag tevoren abusievelijk in een lege bananenboot was geladen en nu op weg was naar Honduras, waar een nieuwe lading bananen voor Europa wachtte. Op onze vraag, wat er nu verder met onze kist zou gebeuren, kregen we te horen, dat die hoogstwaarschijnlijk ergens op de kade gedumpt zou worden en dat de verzekering de schade dan wel zou vergoeden.

Wij waren sprakeloos! Heel ons hebben en houden, onze nieuwe meubels, huisraad, linnengoed, persoonlijke bezittingen naar de maan! Mijn dreiging met een rechtszaak sorteerde geen effect: volgens de kleine lettertjes zou de verzekering opdraaien voor de schade. Maar toen mijn kersverse echtgenote spontaan in huilen uitbarstte en aan de directeur van de stuwadoors- maatschappij vroeg, hoe hij zich onze start op Curaçao voorstelde, werd het deze harde zakenman week om het hart. Hij beloofde ons met de hand op het hart, dat hij er zich persoonlijk voor zou inzetten, dat de bananenboot koers zou zetten naar Curaçao om daar onze kist uit te laden, alvorens zijn koers naar Honduras te vervolgen.

Met deze belofte vertrokken wij 2 dagen later per (stoom)trein naar Bremerhaven, waar wij 's middags arriveerden. Tijd genoeg om het inladen van tientallen BMW- en Mercedes sportauto's ademloos gade te slaan. We kregen als pasgetrouwd stel de 'owners cabin' aan boord: een zeer luxueus verblijf, met separate salon, geheel uitgevoerd in mahoniehout, bad- en slaapkamer. Onze huwelijksreis kon beginnen.
's Avonds liepen we uit.

De eerste dagen verliep onze reis voorspoedig. Samen met 6 andere passagiers gebruikten we de maaltijden met de scheepsofficieren. Onze tijd brachten we voornamelijk door met lezen, gezelschapsspelen en gesprekken met de overige passagiers. Alles ging goed tot in de Golf van Biskaje. Daar stak een vreselijke storm op, die tot orkaankracht aangroeide en 2 dagen en nachten lang duurde. Het schip slingerde zo hevig heen en weer, dat we werkelijk dachten dat het zou kapseizen. Officieren en bemanning waren letterlijk dag en nacht in touw om de lading nog steviger te verankeren. Het mocht niet baten. Polsdikke kettingen waarmee de deklading, bestaande uit lange ijzeren dubbele U-balken, aan weerszijden van het winchdek was bevestigd, knapten met een vreselijke knal als een kanonschot en schoven overboord, de reling meenemend. (Later, in rustiger vaarwater, vertelde de kapitein ons, dat dit ons geluk was geweest, aangezien we anders vrijwel zeker gekapseisd zouden zijn.)

Vlak voor de storm op volle zee,
deklading nog intact

Toen de storm zowat zijn hoogtepunt bereikt had, hoorden we plotseling een vreemd gerommel in de buik van het schip. Dit lawaai zwol in de loop van de volgende uren aan, op het ritme van het heen en weer slingeren van het schip. Ten langen leste luwde de storm en werd de zee allengs kalmer. En daarmee verminderde ook het onheilsspellende geluid, om tenslotte op te houden. De bemanning was eindelijk in staat poolshoogte te nemen in het ruim. Daar bleek, dat een van de sportauto's losgeraakt was en daar als een boemerang te keer was gegaan. De ene sportwagen na de andere werd losgebeukt en schoof als een ongeleid projectiel door het ruim, waarbij uiteindelijk één grote hoop schroot overbleef, die later op Curaçao overboord werd gezet. De kapitein verzekerde ons, dat als onze kist aan boord was geweest, er vrijwel zeker niet veel van was overgebleven.

Na een verder voorspoedige reis liepen we anderhalve week later de Annabaai binnen en meerden af aan de Westwerf. Vanuit de verte zag ik mijn broer al op de kade staan, samen met zijn gezin. Zodra hij op hoorafstand was, schreeuwde ik hem toe: ' Is onze kist ook aangekomen?' Broer Jan, altijd in voor een grapje, plagerig: 'Welke kist?' Maar na mijn heftige reactie, geruststellend: 'Die staat al lang en breed hier op jullie te wachten!' Dat was een pak van ons hart. Nu kon ons niets meer gebeuren.

Curaçao, here we come!

TERUG

De ochtend na aankomst op Curaçao moesten we allereerst naar het Bureau Vreemdelingendienst aan het Molenplein. Met behulp van mijn broer, destijds politieman op Curaçao, werd deze hobbel vrij vlot genomen. Wel verbaasde ik me toen al - en eigenlijk nu nog steeds - over alle restricties en bepalingen die er golden om als Nederlander op de Nederlandse Antillen via de vreemdelingenpolitie te worden toegelaten. Behalve een geldig Nederlands paspoort en een landingsvergunning moesten we ook nog een Bewijs van Goed Gedrag overleggen, een vaccinatiebewijs, een geneeskundige verklaring en een garantiebewijs voor een eventueel retourticket voor 2 personen. Mijn vrouw mocht alleen op Curaçao blijven zolang ze bij mij als wettige echtgenote inwoonde en mocht de eerste 10 jaar absoluut niet werken. Daarbij moesten we tot aan het eind van ons verblijf op Curaçao, ruim 17 jaar later, telkens als we het eiland voor verlof of anderszins verlieten, een 're-entry permit' afhalen bij de Vreemdelingendienst. Al met al een grote rompslomp.

Eerste huis en auto, 1961

Via broer Jan kregen we een huis op de Wanapaweg bij de Seroe Grandi. Aangezien de eigenares talmde met de afbouw van het huis, toen we er eenmaal inzaten, maar wel de volle huurprijs inde, hielden we het na 3 maanden voor gezien en kregen een huis van het Schoolbestuur aan de Didoweg, Santa Rosa: compleet, keurig in orde en voor een schappelijker huurprijs.

Het ontvangstcomité van 'Don Bosco', de R.K. onderwijzersorganisatie, was behulpzaam bij het organiseren van de nodige aansluitingen in huis, het aanschaffen van huishoudelijke apparatuur bij 'Elga' of 'Wimco' met de gebruikelijke korting en ook met het completeren van huisraad en verdere inboedel. Mede hierdoor verliep de aanpassing en gewenning aan een totaal ander leefpatroon snel en soepel. Na een dag al hadden we door dat je met fiets of openbaar vervoer niets kon beginnen, dus werd er meteen een auto aangeschaft: een tweedehandsje weliswaar, maar voor ons als kersvers Nederlands onderwijzerspaar een ongekende luxe.

Mijn eerste school, waar ik een week na aankomst begon, was het Mgr.Niewindt College, vlak bij de 'waterfabriek' op Mundo Nobo, met Jacques Rengerink als Hoofd. Hier kreeg ik mijn vuurdoop, weer met de vierde klas. Gezien mijn ervaring aan het begin van mijn loopbaan als onderwijzer met 57 tot 69 jongens in één klas viel het reuze mee. De leerlingen waren een stuk gezeglijker dan de Nederlandse jeugd die ik gewend was. De lessen gingen uiteraard in het Nederlands. Merkwaardigerwijs leverde dat in mijn beleving weinig problemen op, met deze merendeels Papiamentstalige kinderen, aangezien ik in mijn vorige baan in Vaals ook te maken had met leerlingen die Nederlands als vreemde taal op school leerden. Hun moedertaal was evenals de mijne een Duits (eigenlijk Frankisch) dialect, dat in de grensregio rond het Drielandenpunt en Aken door honderdduizenden gesproken en verstaan wordt. De enige concessie die indertijd aan het Papiaments in de klas gedaan werd was het gebed voor en na de lessen. Daartoe kreeg ik, als 'macamba nobo', een briefje met de Papiamentstalige tekst van het 'Onze Vader' en 'Wees gegroet' in handen gedrukt, waarmee ik me moest zien te redden.

Voor onze boodschappen gingen we aanvankelijk met mijn broer naar de politiekantine: een houten gebouw op palen op Mundo Nobo. Daar kon je redelijk goedkoop voor je dagelijkse boodschappen terecht. Levensmiddelen zoals rijst, peulvruchten, suiker e.d. stonden daar nog in grote jute zakken op de vloer en werden in de gewenste hoeveelheid in een papieren zak geschept. Voorverpakte levensmiddelen kreeg je er nauwelijks. Van lieverlede ontdekten we dat er op het eiland ook echte Amerikaanse supermarkten waren, zoals Henderson op Rio Canario, Centrum Van Wilpen op Mahaai en later nog Toko Zuikertuintje. Deze winkels waren door hun ruime opzet, presentatie en diversiteit voor ons een nouveauté en een aangename verrassing. Voor verse groenten kon je bij de vele Portugezen terecht of bij de Chinees aan de Schottegatweg, vlak bij het Peter Stuyvesant College.

Met ingang van het nieuwe schooljaar werd ik overgeplaatst naar het Albertus College te Pietermaai, tegenover de Kathedraal. Ook dit was een zogenaamde A-school, ook wel Mulo-onderbouw genaamd. Aan de overkant van de Abraham de Veerstraat was de St. Jozefschool, een B-school voor kinderen van min- of onvermogende ouders. Hier was het onderwijs geheel gratis.

Hoofd van het Albertus College was Frater Pancraas, die voor mij weer de vierde klas in petto had. Mijn lokaal bevond zich op de bovenverdieping, heerlijk fris, tegenover de hoofdingang. Op deze school gaven niet alleen Nederlandse en Surinaamse collega's les, maar ook ex-beursalen: Curaçaose jongelui die in Nederland hun onderwijzersopleiding voltooid hadden en nu naar hun eiland teruggekeerd waren om daar les te geven, o.a. Rudy Lourents, die ik later weer als Rector van het Curaçaos Avondcollege tegenkwam, Sixto Wallé, later voorzitter van het R.K.Centraal Schoolbestuur en Ronnie Casseres, de latere Gezaghebber.

Klas 4 Albertus College, 1962

Naast mijn lokaal, in klas 3, stond mevrouw Van Dijk, de vrouw van de toenmalige gevangenisdirecteur van Koraal Specht. Met haar raakte ik al gauw op vriendschappelijke voet en dat leidde weer tot plezierige faciliteiten. Zo zorgde zij ervoor dat ik met mijn auto voor onderhoudsbeurten, kleine en grote reparaties bij de gevangenis terecht kon en dat voor een habbekrats. Ook kon je er voor een paar gulden cementen bloembakken en -potten kopen, al dan niet met standaards van zwartgemoffeld betonijzer. De planten voor die bakken en potten, zoals crotons, cayena's en bougainvillea's kweekte je zelf van stekken, die je van kennissen of collega's cadeau kreeg. Je sloeg een gat in de bodem van een leeg melkblik, vulde dat met grond, zette de stek erin, water geven en het groeide vanzelf. Zo kon je met potten en bakken vol bloemen en planten wat kleur en fleur om je huis aanbrengen, want een echte tuin op je erf aanleggen en die onderhouden was te kostbaar: de waterprijs was toen al 2 gulden per kubieke meter. Na de regentijd, als het gras en onkruid een halve meter hoog op je erf stond, huurde je een Portugees, die in enkele dagen je hele erf weer kaal hakte met een 'tjapi' en dat voor luttele guldens.

Schoolplein Albertus College, 1962

De schooltijden waren als regel van half negen tot kwart over één. Een voordeel van het wonen in een 'onderwijzersstraatje' was dat je met collega's, die aan dezelfde school of dicht in de buurt daarvan werkten, kon carpoolen. Daardoor hadden de vrouwen bij toerbeurt de beschikking over de auto om boodschappen te doen, visites af te leggen of een baai te bezoeken. Want dat werd al gauw, zeker in de begintijd en helemaal met kleine kinderen, de meest populaire vrijetijdsbesteding. Vanuit Santa Rosa was vooral Barbara Beach in trek, op het terrein van de Mijnmaatschappij. Voor twee en een halve, later voor vijf gulden, kon je daar met een auto volgeladen een hele dag terecht.

Bij de dagtochten over Band'Abao was vooral Knipbaai erg geliefd. Soms, met name in de vakantie, werd zo'n baaibezoek gecombineerd met een tocht naar de Christoffelberg. Na voorafgaande telefonische toestemming van de Dienst Landbouw van het Eilandgebied Curaçao vertrokken we rond 4 uur 's ochtends vanuit Landhuis Savonet, als regel met een heel gezelschap, om de Christoffelberg te beklimmen en daar van de zonsopgang te genieten. Je trof er een unieke vegetatie aan, zoals twee soorten orchideeën, bromelia's, bolcactussen en baardmossen. Na de afdaling volgde dan een baaibezoek, meestal met barbecue.
Het sociale leven beperkte zich hoofdzakelijk tot visites bij kennissen en collega's en het organiseren en bezoeken van feesten in het weekend ter gelegenheid van een verjaardag, bezoek uit Nederland, het behalen van een diploma, enz.

Voor culturele manifestaties kon je terecht bij het Cultureel Centrum Negropont in Emmastad, waar op gezette tijden artiesten en gezelschappen uit Nederland optraden met zang en dans, toneel, muziek en cabaret. Al gauw werden we ook lid van de Filmliga, die in het openluchttheater in Emmastad een à twee keer per maand bijzondere films verzorgde. En verder waren we vanaf de oprichting lid van de club van Geluidsjagers, waarbij je voorbespeelde geluidsbanden kon lenen om die thuis te kopiëren: downloaden avant la lettre! Op die manier heb ik een uitgebreide muziekverzameling van hoge kwaliteit opgebouwd.

Uit deze tijd stamt ook onze grote liefde voor de Latijns-Amerikaanse muziek in het algemeen en de Antilliaanse (i.c. Curaçaose) muziek in het bijzonder. Met name 's zaterdagsavonds, als er weer eens een feest was in de 'knoek' (en wanneer was er voor een echte 'yu di Korsow' géén reden om feest te vieren?), klonk de muziek van de gebroeders Palm, Dominico Herrera, Rudy Plaate en Padu del Caribe keihard uit de luidsprekers van soms de kleinste huisjes. Het heeft op ons een blijvende indruk gemaakt.

Voor de zondagsmis gingen we aanvankelijk naar de (nood)kerk op Brievengat, omdat er in het Nederlands gebeden en gepreekt werd; later naar de kerk van Santa Rosa. Opvallend was hoe 'deftig' de lokale bevolking ter kerke ging: de vrouwen in mooie, fleurige jurken, praktisch alle met hoed, terwijl de mannen als regel in pak met stropdas verschenen. Überhaupt hechtten deze mensen er meer aan goed gekleed te gaan: Curaçaoënaars die naar de stad gingen om boodschappen te doen of anderszins liepen steevast in lange broek en op schoenen; korte broeken en sandalen werden alleen maar door 'macamba's' en Amerikaanse toeristen gedragen.

Wat, vooral in 't begin, grote indruk op ons maakte waren de sjieke winkels in de Heerenstraat, maar ook in de Breedestraat en het Helferichplein: 'El Globo', voor alle foto- film- en geluidsapparatuur, 'Casa Amarilla' en 'Penha' voor modieuze kleding, 'Spritzer en Fuhrmann  voor juwelen, horloges en het betere serviesgoed. Maar daarnaast ook heerlijke rommelwinkeltjes, waar je letterlijk alles aan kleingoed voor in huis kon vinden, zoals 'Casa Cohen' in de Heerenstraat.

Met de geboorte van onze twee dochters, met een tussenpoos van 2 jaren, was ons gezinnetje compleet. Dankzij het heerlijke klimaat was het hebben en zien opgroeien van kinderen op Curaçao een heel stuk comfortabeler en ongecompliceerder dan in Nederland.

Mede daardoor behoren onze jaren op Curaçao tot de beste van ons leven.

Aubade Koninginnedag, 1963

TERUG


A. EXTERNE OPPOSITIE

In het navolgende feitenrelaas wordt weer eens duidelijk, dat de werkelijkheid soms onwaarschijnlijker is dan de meest bizarre fantasie.

Daar het voor mij niet mogelijk geweest was om na mijn H.B.S.-examen en militaire diensttijd verder te studeren deed ik, wat bij heel wat onderwijzers in die tijd gebruikelijk was: door het behalen van L.O.- en/of M.O.- aktes na en naast een volle dagtaak doorstromen naar het Voortgezet of Middelbaar Onderwijs. In Nederland had ik reeds mijn Hoofdakte behaald en een jaar Duits L.O. gedaan. Op Curaçao begon ik in september 1961, enkele maanden na aankomst, aan de voortzetting daarvan. De cursus werd gegeven door 2 docenten van het Openbaar Onderwijs Curaçao, de heren Groen en De Wit, die met hun akte Duits M.O.- A ook de lessen in deze taal verzorgden aan het Peter Stuyvesant College (Openbaar M.O.), Radulphus College (R.K. M.O. voor jongens) en Maria Immaculata Lyceum ( kortweg het M.I.L., R.K. M.O. voor meisjes).

De opleiding verliep voorspoedig en zo'n driekwart jaar later slaagde ik voor Duits L.O. met vijf negens en twee achten. Enkele dagen later kreeg ik een uitnodiging voor een gesprek met Frater Franciscus, Hoofd van de Fraters van Tilburg op Curaçao. Hem was ter ore gekomen, dat ik met zeer goed resultaat geslaagd was voor Duits L.O. Hij gaf mij in overweging de akte Duits M.O.-A te behalen, wat met mijn uitstekende cijfers voor de L.O.-akte binnen twee jaar te realiseren moest zijn. Over twee jaar namelijk zou er door groei en uitbreiding met nieuwe afdelingen in de bovenbouw van zowel Radulphus College als Maria Immaculata Lyceum een volledige betrekking voor het vak Duits beschikbaar zijn. En daarvoor had men mij op het oog, als eigen leerkracht van het R.K.Schoolbestuur. Ik voelde mij gevleid en nam de uitdaging dankbaar aan. Gelukkig wist ik toen nog niet wat me te wachten stond, anders was ik er nooit aan begonnen.

Landhuis Knip, 1961

Het toeval wilde, dat Frans Koster, een van mijn medecursisten van de L.O.-opleiding, er ook voor voelde om door te gaan voor M.O.-A. Datzelfde gold voor zijn collega Teun Schram. Beiden waren leerkracht aan een Openbare Mulo-school. Samen vogelden we uit welke aanpak er nodig was om een vak als Duits, een praktisch dode taal op Curaçao, te studeren met een redelijke kans op succes. Voor Nederlands en Engels M.O.-A waren er goed lopende en druk bezochte opleidingen op het eiland, waar jaarlijks 8 à 10 kandidaten of meer mondeling geëxamineerd werden door professoren uit Nederland, die daarvoor op kosten van het Departement van Onderwijs ingevlogen en gehuisvest werden. Onder professoren waren deze snoepreisjes fel begeerd en statusverhogend.

Voor Duits M.O.-A bestond er geen opleiding op Curaçao, dus besloten we een schriftelijke cursus te nemen bij een gerenommeerd opleider in Nederland: Dr. P. Kieft. Bij hem bestelden we onze studieboeken en elke week stuurden we hem per post onze twee vertalingen, die we dan een dag of tien later gecorrigeerd en van commentaar voorzien terug kregen. Bijna twee jaar lang, met uitzondering van de vakanties, kwamen we bij toerbeurt elke week drie keer bij elkaar over de vloer om de vertalingen te bespreken en de verschillende examenonderdelen, zoals grammatica en idioom, samen onder de loep te nemen. En dat zoveel mogelijk in het Duits natuurlijk.

Voor de uitspraak bestelden we bij een taalkundig instituut in Duitsland drie 45-toeren plaatjes, die we voor elkaar op geluidsband kopieerden. Aangezien we op Curaçao geen bibliotheek met Duitse boeken hadden, bestelden we voor onze literatuurlijst zo'n dertigtal literaire werken bij Bertelsmann, een grote Duitse uitgeverij, alles voor eigen rekening natuurlijk. Zodoende hadden we alle drie een nagenoeg identieke literatuurlijst.

Kunuku huisjes Barber, 1961

Na zo'n anderhalf jaar studie op die manier gaven we ons begin 1964 op voor het examen bij de Inspectie Onderwijs op Curaçao. Inspecteur was toen Tirso Sprockel, de latere Directeur Onderwijs Nederlandse Antillen. Hij meldde ons aan bij de Examencommissie Duits M.O.-A in Nederland. Prompt kregen we datum en tijdstip toegezonden waarop we op Curaçao ons schriftelijk examen moesten afleggen. Tevens kreeg de Inspectie van de Voorzitter van de Examencommissie te horen, dat hij aansluitend aan de mondelinge examens in Nederland samen met een assistent naar Curaçao zou komen om de drie kandidaten aldaar te examineren, zoals ook te doen gebruikelijk bij Nederlands en Engels.

De Inspecteur liet de prof weten, dat het in dit geval slechts om drie gegadigden ging, die bovendien met het vak Duits nauwelijks een bijdrage konden leveren aan het onderwijs op Curaçao en dat de kandidaten dus maar op eigen kosten hun mondeling zouden moeten doen in Nederland, aangezien het Departement van Onderwijs niet van plan was reis- en verblijfskosten voor 2 examinatoren te dragen. Ook wij werden door de Inspecteur van diens besluit en de motivatie daarvan op de hoogte gesteld. En hoewel wij het vanwege de kosten en de rompslomp jammer vonden, konden we toch wel begrip opbrengen voor zijn standpunt.

Restte de vraag: wat nu? Eén retourtje Nederland per DC-8 met de KLM kostte toen ruim 1900 gulden: drie maandsalarissen! En ik wilde mijn vrouw met een dochtertje van twee en in verwachting van ons tweede kind niet alleen 6 weken op Curaçao achterlaten, dus de KLM was geen optie. Gelukkig organiseerde de R.K. Onderwijzersbond 'Don Bosco' jaarlijks een chartervlucht naar Nederland; op de eerste plaats voor leden met hun, meestal jonge, gezinnen. Zo ook in 1964 en wel voor ruim 900 gulden per persoon; kinderen tot 3 jaar vrij. De vlucht vertrok op de eerste vakantiedag, een donderdag medio juli en zou 's vrijdags (de laatste dag van de mondelinge examens Duits in Den Haag) op Schiphol aankomen; te laat dus om nog examen te doen.

De Inspectie informeerde bij de Examencommissie Duits, of de drie kandidaten uit Curaçao bij wijze van uitzondering op zaterdagochtend alsnog hun mondeling konden afleggen. Binnen een week hadden wij antwoord van de Secretaris van de Examencommissie, dat wij 's zaterdagsochtends alsnog welkom waren. Met dit bericht in handen sloot ik een lening van 2000 gulden bij het Schoolbestuur en boekte de vlucht, mede voor vrouw en kind(eren) bij 'Don Bosco'. Ook mijn studiegenoten boekten meteen. En daarbij hadden we nog geen schriftelijk gedaan, laat staan een uitslag daarvan!

Weer een week later vernamen wij van Inspecteur Sprockel, dat hij een brief had ontvangen van de Voorzitter van de Examencommissie waarin stond, dat 's vrijdags echt de laatste examendag was, aangezien 's zaterdags de slotzitting van de examens zou plaatsvinden. Na overleg hierover met ons liet de Inspecteur aan de Examencommissie weten, dat wij op basis van de brief van de Secretaris de chartervlucht geboekt en betaald hadden en dat wij hoe dan ook 's zaterdagsochtends in Den Haag examen zouden komen doen. Met dit alles in ons achterhoofd deden we eind mei op het Departement onze twee schriftelijke vertalingen en wachtten af.

Vanuit Den Haag kwam taal noch teken, dus togen wij op de eerste vakantiedag naar Hato, waar de 'Don Bosco plane' om 16.00 uur zou vertrekken. Het betrof een Deense DC-6: een viermotorig propellervliegtuig, afgeladen vol, met o.a. 32 kleine kinderen en zuigelingen aan boord, waaronder ons 2-jarige en ons 6 weken oude tweede dochtertje. Met tussenstops op de Bahamas en de Azoren, waar extra melk moest worden ingeslagen, omdat er niet op zoveel baby's gerekend was, kwamen we 's vrijdags tegen de avond op Schiphol aan, meer dood dan levend. (Gelukkig waren we met een propellervliegtuig gekomen, anders hadden we ook nog een 'jetlag' gehad!)

Ontmoeting bij Westpunt, 1961

Vrouw en kinderen werden door familie afgehaald en wij togen met z'n drieën naar een klein pensionnetje in Den Haag in de buurt van onze examenlocatie, waar ze nog maar één kamer vrij hadden. Van slapen kwam dan ook niet veel, met een eigenlijk wildvreemde collega woelend naast je in bed, de ander draaiend op een krakende stretcher.
De volgende ochtend om acht uur zat ieder van ons tegenover 2 examinatoren, die ons anderhalf uur lang aan de tand voelden. Vraag niet hoe we hier doorheen gekomen zijn; waarschijnlijk op de automatische piloot, want ik herinner me er niets meer van. Na afloop moesten we nog even wachten, waarna we samen binnengeroepen werden.

Daar zat de Secretaris van de Examencommissie met de examinatoren; de Voorzitter was er niet bij. We kregen te horen, dat we alle drie voor het mondelinge examen geslaagd waren; zonder onvoldoendes en elkaar in cijfers niet veel ontlopend. Dit gold ook voor het schriftelijk (dit hoorden we nu, na 6 weken, voor het eerst!): alles voldoendes. Er was echter één maar: het landelijk slagingspercentage voor de eerste keer was nog geen 40%, terwijl wij drie, met een schriftelijke cursus op Curaçao, 100% gescoord hadden. Daarom had de Voorzitter besloten, in afwachting van een nader onderzoek op Curaçao naar de gang van zaken bij het schriftelijk examen aldaar, ons de akte vooralsnog niet uit te reiken.... Hoe ver kun je als gebelgd professor gaan ?!

De examinatoren hadden de grootste moeite ons tegen te houden, want we sprongen met z'n drieën op de Secretaris af. Onze opleider Dr. Kieft, die bij de diploma-uitreiking aanwezig was, sprak openlijk schande over deze nog nooit vertoonde gang van zaken. Maar niets hielp; de Voorzitter 'in his finest hour' kregen we niet te zien noch te spreken en we konden afdruipen, met een kater van hier tot Tokio.
Zes weken later, terug op Curaçao, meldden we ons bij Inspecteur Sprockel. Die was nog steeds verontwaardigd over de schandelijke brief die hij van de prof had ontvangen en weigerde terecht elke medewerking aan een onderzoek. Nu was er dus een patstelling. Inmiddels was ik, zoals twee jaar tevoren afgesproken, begonnen met mijn lessen Duits aan het Radulphus College en het M.I.L.

Na enkele weken vroeg de administratie van het Schoolbestuur mij om de akte ter verificatie en registratie over te leggen. Weer trok ik aan de bel bij Inspecteur Sprockel. Die stelde dat het zijn zaak niet was maar suggereerde ons een kort geding in Nederland. Dat was vanuit Curaçao makkelijker gezegd dan gedaan. Ik besloot telefonisch advies in te winnen bij Professor van Bemmelen, bekend Hoogleraar Strafrecht in Leiden, 'toevallig' getrouwd met een nicht van mij. Hij luisterde met stijgende verbazing naar mijn relaas en beloofde mij om via een telefoontje met zijn collega Duits in Utrecht de zaak te regelen.Een week later arriveerden de drie aktes Duits M.O.-A per post op Curaçao.
Zonder commentaar......

 

B. INTERNE OPPOSITIE

Mijn idee dat de problemen rond akte en baan nu definitief voorbij waren bleek al gauw een illusie te zijn. Het was louter toeval dat ik een tegen mij gerichte achterbakse streek ontdekte.

Zo'n drie maanden na ontvangst van onze akte Duits sprak Hans Ebskamp, een collega Engels, mij aan. Hij vertelde mij dat hij een brief gekregen had van een vriend uit Beverwijk, die hem medegedeeld had, dat hij voor het volgend schooljaar als leraar Duits door de Fraters aangenomen was voor een gecombineerde volledige baan aan het Radulphus College en het M.I.L. Hij wilde van hem wat meer weten over het lesgeven en het leven op Curaçao. Ebskamp vertelde me verbaasd te zijn, dat ik kennelijk maar voor één jaar aangesteld was. Ik deelde die verbazing, dus stapte ik gelijk naar de Rector van het Radulphus College om verhaal te halen.

De Frater reageerde nogal gepikeerd en vroeg mij, wie een en ander naar mij had laten uitlekken. Na mijn relaas over de brief aan collega Ebskamp moest hij met duidelijke tegenzin toegeven, dat ik aan het eind van het schooljaar 'gewoon' weer terug zou gaan naar de Lagere School waar ik vandaan kwam. Aan mijn verhaal over de afspraken met de Overste had hij geen boodschap: Frater Franciscus was onlangs overgeplaatst naar Brazilië, waar hij nu Overste was van het Fraterklooster in Belo Horizonte. Een gesprek met de nieuwe Overste op Curaçao leverde ook geen nieuwe gezichtspunten op: hij was niet op de hoogte van afspraken met mij en weigerde ook daarover contact op te nemen met zijn voorganger, aangezien de nieuwe, volledig bevoegde leraar Duits inmiddels benoemd was. Ook op mijn dringend verzoek om dan tenminste enkele uren Duits aan een Mulo te mogen geven om in ieder geval mijn aktevergoeding te ontvangen (zegge en schrijve 60 gulden per maand!), wenste hij niet in te gaan, terwijl hij wist dat ik nog bezig was mijn lening aan het Schoolbestuur af te lossen!

Westpunt Baai

Op dat moment knapte er iets in mij en besloot ik dit onrecht aan te vechten. Ik wendde me tot mijn collega Wiskunde op het M.I.L. Huub Bongers, de latere Rector, die op dat ogenblik Voorzitter was van Velemona (Vereniging van Leraren Middelbaar Onderwijs van de Nederlandse Antillen) en vertelde hem mijn hele verhaal. Hij reageerde geschokt, evenals Soeur Elina, de voormalige Rectrix van het M.I.L., die hij erbij gehaald had. Gedrieën togen we naar Soeur Supérieure, Overste van de Soeurs van Roosendaal, waaronder het M.I.L. ressorteerde. Toen ik daar klaar was met mijn relaas stonden haar de tranen in de ogen. Zij stelde slechts één vraag aan Soeur Elina: 'Voldoet mijnheer Leenders als docent?' Deze antwoordde: 'Meer dan dat: hij is een uitstekende leerkracht!'

Soeur Supérieure verklaarde dat zij niet beter wist, dan dat ik tot leraar Duits benoemd was voor onbepaalde tijd. Van de ontwikkelingen rond een nieuwe leerkracht was noch zij, noch de rest van het Bestuur geïnformeerd. Mocht het Schoolbestuur van de Fraters (mijn eigen Schoolbestuur nota bene!) de nieuwe benoeming niet ongedaan maken, dan bleef ik op het M.I.L. voor alle uren Duits, zonodig aan te vullen met lessen aan het Maria College, de MULO Bovenbouw van de Soeurs. Bovendien draaide zij dan de voorgenomen fusie tussen de beide R.K. Middelbare Schoolbesturen terug! Met deze boodschap en een bemoedigend schouderklopje kon ik vertrekken.
Twee dagen later werd ik bij de Rector van het Radulphus College geroepen. Op hoge toon eiste hij van mij dat ik mijn aanspraken op de voortzetting van mijn baan als leraar Duits zou opgeven. Ik bleef kalm en weigerde: ik wist dat hij een verloren spel speelde.

Van Soeur Supérieure vernam ik enkele weken later, dat het gelukt was de nieuw benoemde leraar Duits over te hevelen naar het Colegio Arubano, waar toevallig ook een vacature was. En weer een maand later hoorde ik op de Inspectie Onderwijs, dat de man bij de keuring in Den Haag afgekeurd was: ongeschikt voor de tropen!
Het hele drama was voor niets geweest: alles bleef zoals het was!
Maar inmiddels had ik een maagzweer.......

Zonsondergang aan Santa Cruz Baai, 1961

TERUG

Om alle facetten van ons leven op Curaçao te beschrijven is ondoenlijk en oninteressant. Ik wil me daarom beperken tot die aspecten, die niet alledaags waren, maar wel ons leven aldaar zodanig beïnvloed hebben, dat ze onuitwisbare herinneringen aan een heel speciale tijd hebben achtergelaten.

 

A. SPORT EN ONTSPANNING

Na de drukke tijd van de studie voor de Akte M.O.-A Duits en de hectische maanden daarna kwamen we privé eindelijk in wat rustiger vaarwater. En na een jaar inwerken in de nieuwe baan als leraar Duits kwam er zelfs wat meer tijd voor sport en ontspanning. Baaibezoek met zwemmen en snorkelen stond daarbij van meet af aan op de eerste plaats; temeer omdat dit een familiegebeuren was. Maar als we dan aan Barbara Beach zaten, keek ik met jaloerse blikken naar de voorbijvarende zeilboten. Zeilen leek mij een ideale sport op een eiland als Curaçao. Via navraag kwamen we terecht bij club 'De West' (later omgedoopt tot 'Jan Sofat'), oorspronkelijk een zeilclub van en voor K.L.M. piloten en -personeel, later voor mensen van de A.L.M. De club was gevestigd aan de inham van Jan Sofat aan het Spaanse Water en stond ook open voor buitenleden. Hier leerde ik zeilen in de 'Randmeer', de enige toerboot die de club rijk was. Voor de jeugd waren er ook nog enkele 'Sterns', waarmee aan wedstrijden deelgenomen werd.

Na een tijdje moest de club verhuizen naar de inham van Brakkeput, waar ook de zeilhaven van Asiento en de Marine gevestigd was. 'Club Asiento', de sport- en ontspanningsverening van Shell Curaçao, had een zeilafdeling met een achttal toerboten, de 'Sturdy's' en zes houten wedstrijdboten van de 'Pampus'-klasse, die later door snelle 'Ynglings' van kunststof vervangen werden. In de weekends en ook op enkele namiddagen door de week werd er met deze boten wedstrijd gevaren; op het Spaanse Water en ook op volle zee. Inmiddels had ik zelf een 'Sunfish' zeilbootje aangeschaft om mijn zeilkunst te vervolmaken, maar dat was ook niet meer dan een flinke kunststof 'plank' met een miniscuul kuipje en een zeil. Neen, zeilen bij Asiento: dat was het voor mij helemaal! Maar hoe daar bij te komen, dat was de vraag. Weliswaar liet de club een (zeer beperkt) aantal buitenleden toe, maar die moesten dan ook een zekere meerwaarde hebben voor de vereniging.
Ook hier kwam het toeval mij te hulp.

Zeilhaven 'Asiento', Brakkeput

In Nederland had ik al een tijdje aan sabelschermen gedaan; een sport, die ik op Curaçao weer opgepakt had. Naast 'Asiento' en 'Marine Sport Vereniging' was er nog een derde club, n.l. de 'Musketiers' en daarvan was ik lid geworden. Enkele mede-sabelschermers in die tijd waren Toon Jessurun, die tevens voorzitter was van de club, Harry da Silva, dokter Chris Engels en Jan Boutmy, 'Tokio Jan' genaamd, omdat hij voor de Nederlandse Antillen als sabelschermer in 1964 had deelgenomen aan de Olympische Spelen in Tokio. In 1965 nam ik -  als outsider - deel aan de Curaçaose kampioenschappen voor sabel in de tweede klasse en werd daar nr.1. Het weekend daarop, in de eerste klasse, werd ik weer nr.1, zodat ik twee weken later moest aantreden in de hoofdklasse. Ook daar sloeg ik geen gek figuur, klopte in de eerste wedstrijd de beste zelfs 'Tokio Jan', waartegen ik nog nooit geschermd had en eindigde als derde.

En toen was voor mij de tijd om te oogsten. Een half woord van mij was voldoende voor het lidmaatschap van de schermclub van 'Asiento', waardoor ik me ook kon aansluiten bij de zeil- en tennisclub van die vereniging en mijn dochters later lid konden worden van de zwemclub. Tevens bracht het clublidmaatschap met zich mee, dat we gebruik konden maken van de faciliteiten op 'Rust en Burgh', Emmastad, waaronder gebruik van het zwembad, restaurant en bibliotheek. Tijdens vakanties stonden ook de woonboten 'Walvis' of 'Bruinvis' op het Spaanse Water ter beschikking.

Vol enthousiasme gooide ik me op het zeilen en enkele jaren later was ik in het bezit van de wedstrijd- en de zeezeilvergunning, nam als schipper deel aan de jaarlijkse clubkampioenschappen in de hoogste klasse en aan de wekelijkse wedstrijden van de dinsdagavondclub. Ook bij de wedstrijden buitengaats, zoals de Fuikrace en de jaarlijkse Hiltonrace, was ik meestal van de partij; als schipper op een van de Ynglings of als bemanningslid op een groot, particulier jacht. Zo heb ik later, toen de Bonaire Regatta gehouden werd, tot drie keer toe deelgenomen aan dit zeilfestijn in oktober, dat een week lang duurde.
Tot aan ons vertrek van Curaçao in 1978 is zeilen mijn meest geliefkoosd tijdverdrijf geweest.

Met de Sturdy bij Barbara Beach


B. AYUDO SOCIAL

Tijdens de preek in de Mis op Palmzondag 1966 sneed pastoor Fick een thema aan, dat ons schokte: er was armoede en honger op Curaçao, met name in zijn parochie Santa Rosa. Hij drong er dan ook bij zijn parochianen op aan met Pasen daadwerkelijk te helpen en een voedselpakket, bestaande uit primaire levensbehoeften, mee naar de kerk te brengen. Het probleem liet ons niet met rust: terwijl wij met twee kleine dochters meer dan genoeg te eten hadden waren er in de directe omgeving veel moeders die hun kinderen niet naar school konden sturen vanwege een lege maag of gebrek aan kleding. Een eenmalige actie met Pasen - overigens een groot succes - bood ook maar een tijdelijke oplossing. Voor hulp op langere termijn moest er iets georganiseerd worden en met dit doel voor ogen nam mijn vrouw contact op met pastoor Fick. Die vertelde haar, dat hij net die dag een eensluidend telefoontje had gehad van Mieke Schasfoort, de vrouw van een collega van het Radulphuscollege. Hij stelde haar voor om eens de koppen bij elkaar te steken en samen met enkele andere gelijkgestemde geesten tot een actiecomit te komen.

En zo werd er een werkgroep in het leven geroepen - later tot de Stichting 'Ayudo Social' omgevormd - onder leiding van pastoor Fick, met Mieke Schasfoort en mijn vrouw en Shon Bea, een gepensioneerde onderwijzeres van de school van Santa Rosa, die wist waar de nood het hoogst was. Verder Eusebio Martijn, een ex-zakenman, Carlos Römer, een econoom en Donny Bakhuis, een accountant en evenals alle voorheen genoemden behorende tot de parochie van Santa Rosa. Besloten werd een soort voedselbank avant la lettre te organiseren, waarbij behoeftigen, geselecteerd door Shon Bea, voedselbonnen verstrekt kregen, waarmee ze bij een plaatselijke toko primaire levensbehoeften konden kopen.
Het benodigde geld daarvoor zou uit donaties komen, die pastoor Fick via dringende oproepen tijdens de zondagsmis hoopte binnen te krijgen. Al spoedig bleek dit laatste 'wishful thinking' en na enkele weken was de kas weer leeg.

Huis op Curaçao

Toen was het tijd voor rigoureuzere maatregelen en onder het motto: 'Als de berg niet maar Mohammed komt, dan gaat Mohammed maar naar de berg', stelde mijn vrouw voor maandelijks bij de parochianen langs de deur te gaan om geld op te halen. Zo gezegd, zo gedaan: Shon Bea, Mieke Schasfoort en mijn vrouw trokken eens per week de wijk in om de benodigde financiën op deze manier bijeen te brengen; uiteraard weer na een dringende oproep van pastoor Fick voor donaties.

Hoewel het een tamelijk moeizame en tijdrovende bezigheid was, hebben we er over het algemeen zeer positieve herinneringen aan overgehouden: de soms onverwachte adressen, waar je tientjes kon incasseren; de vaste adressen waar je een gulden toegestopt kreeg en - verrassend genoeg - de vele schamele huisjes, waar je verwachtte dat ze zelf hulpbehoevend waren, maar waar ze maandelijks klaar stonden met hun kwartje. Soms ving je bot, maar in ieder geval leverde deze werkwijze voldoende financiële armslag om de meest schrijnende gevallen jarenlang van voedselpaketten te voorzien.

Tegen de tijd, dat we de allereerste keer voor een half jaar met groot verlof gingen, droeg mijn vrouw haar werkzaamheden noodgedwongen over aan Riet Rozendal, de vrouw van de toenmalig Gedeputeerde van Onderwijs.
Voor zover wij weten is zij er na veertig jaar nog steeds actief bij betrokken. De Stichting is inmiddels via andere fondsen flink gegroeid; niet alleen qua inkomsten maar eveneens naar uitbreiding van het hulpgebied buiten Santa Rosa.
In 2006 is het 40-jarig bestaan van de Stichting 'Ayudo Social' herdacht. De oorspronkelijke initiatiefneemsters hebben er nooit meer iets van gehoord....


C. 30 MEI 1969  

Het was al enkele dagen onrustig op het eiland. In de krant, op radio en televisie, telkens weer werd je geconfronteerd met nieuwe berichten over ontslagen arbeiders bij Shell Curaçao, die dan via onderaannemers, zoals Wescar, weer aangenomen werden voor exact hetzelfde werk, maar nu uiteraard tegen een geringer loon met minder faciliteiten.

Berg Altena

Toen ik de ochtend van 30 mei, op weg naar het Maria Immaculata Lyceum, zo rond 8 uur Post 5 passeerde, de hoofdingang voor de werknemers van de Isla, was het daar al een drukte van belang. Ik moest er stapvoets rijden en goed uitkijken om niemand te raken, want een grote groep opgewonden mannen liep schreeuwend heen en weer over de weg. Opgelucht over het feit, dat ik er zonder kleerscheuren vanaf gekomen was, bereikte ik de school, waar de spanning ook duidelijk voelbaar was. Tijdens de pauze hoorde ik van collega Jan Ghering, die een uur later begonnen was, dat hij bij Post 5 had moeten uitstappen, omdat er geen doorkomen meer aan was en dat hij zo goed als zeker gemolesteerd zou zijn, als niet een paar verstandige mannen de heethoofden tot kalmte gemaand hadden. Tegen half twaalf, toen de eerste berichten van de protestmars naar de stad, het plunderen van supermarkten, de schietpartij bij Berg Altena en de eerste brandstichtingen doorsijpelden besloot de schoolleiding, dat het beter was om leerlingen en docenten naar huis te sturen en de school te sluiten.

Die middag zaten we thuis aan de radio te luisteren naar almaar alarmerender verslagen over geweld, plundering en brandstichting in de stad. In die richting zagen we ook dikke rookwolken, die een en ander onderstreepten.

Tegen drie uur stopte er een politiewagen voor de deur. Broer Jan stapte uit en kwam even kijken of bij ons alles in orde was. Hij overhandigde mij een revolver en een doos patronen, voor het geval dat.... Hij wist dat ik als ex-legerofficier met zo'n wapen kon omgaan. Het ding heeft zo'n zes weken lang, geladen en wel, boven op de kleerkast in de slaapkamer gelegen, voor het geval dat.. Na zo'n anderhalve maand, toen het weer rustig was, kwam Jan het wapen ophalen. We hebben er sindsdien nooit meer over gesproken.

Tegen de avond zette de Gouverneur de Mariniers in, die al gauw de orde op het eiland herstelden. De volgende avond werden ze afgelost door verse troepen, die ter versterking vanuit Nederland waren ingevlogen. Langzaam maar zeker kwam het gewone leven weer op gang. Het eiland likte zijn wonden, maar de lidtekens, in de harten van de mensen zowel als op vele plekken in Punda en Otrobanda, waren blijvend. Nieuwe namen en begrippen eisten hun plaats op, zoals Papa Godett, Amador Nita, Stanley Brown en Frente Obrero, met een duidelijke link naar het Cuba van Fidel Castro.
Nogal wat collega's en ambtenaren vertrokken de navolgende dagen en weken voorgoed naar Nederland, waaronder ook de nodige Curaçaoënaars. Eerlijk gezegd hebben wij die optie geen moment overwogen.

Toch betekende 30 mei 1969 een blijvende breuk met het verleden. Curaçao zou nooit meer worden wat het geweest was....

Rond Schottegat en Annabaai met Shell raffinaderij op achtergrond, 1969

TERUG

Toen ik met drie collega's van de lichting april-mei 1961 op Curaçao aankwam had ik niet of nauwelijks weet van de riante secundaire arbeidsvoorwaarden die voor ons golden. Op de allereerste plaats was ik naar Curaçao gekomen, omdat ik daardoor kon trouwen en er een huis kon krijgen. Om die reden was ik in vaste, pensioengerechtigde dienst getreden bij het R.K.School- bestuur voor minimaal vijf jaar. Eerst gaandeweg begon ik te beseffen wat dat dienstverband betekende: wij behoorden tot de laatste groep die op 50-jarige leeftijd gepensioneerd werd. De groep na ons (juli-augustus 1961) kon pas op 55-jarige leeftijd met pensioen. En wat mij tegen het einde van die vijf jaren bijzonder aantrekkelijk leek was het feit, dat je na zes jaar diensttijd een half jaar met betaald verlof ('buiten de keerkringen', zoals dat heette) kon gaan, compleet met reisvergoeding heen en terug voor het hele gezin, mits je daarna nog minimaal één jaar in dienst bleef. Na zes jaar had je dan weer recht op dezelfde faciliteiten.

Het gros van de collega's en ambtenaren die met groot verlof naar Nederland gingen, boekten daartoe doodeenvoudig een retourticket bij de 'Stoomvaartmaatschappij Nederland', die met 2 schepen - de 'Prins der Nederlanden' en de 'Oranje Nassau' - een 2-wekelijkse dienst Nederland-Curaçao onderhield. Het was een vrij luxe bedoening aan boord en je was vooral met vrienden en collega's onder elkaar.

Zelf hadden wij na onze nogal 'stormachtige' eerste overtocht naar Curaçao voorlopig onze bekomst van een boottocht. Via via vernamen we dat er ook nog andere mogelijkheden waren binnen het budget van de standaard reisvergoeding en dat Dick van de Werff, hoofd reisbureau van de firma Maduro en Curiel, toen nog gevestigd bij het moederbedrijf aan het De Ruyterplein in Punda, zeer creatief was in het benutten van deze reissom.

Na veel vijven en zessen en heen en weer schuiven van de mogelijkheden om binnen het budget te blijven vertrokken mijn vrouw en ik op 1 februari 1967 met de Pan-American naar Mexico City via Panama. Onze dochtertjes van bijna vijf en drie jaar oud bleven voorlopig bij broer Jan, diens vrouw en hun vier kinderen op Curaçao, waar zij op die leeftijd meer vertier hadden dan op onze geplande trektocht. In Mexico City en wijde omgeving raakten we volledig en blijvend in de ban van de Latino cultuur en muziek.


Markt in Toluca, Mexico, 1967

Na een dag of tien vlogen we verder naar Phoenix, Arizona. Daar zetten we de volgende dag onze reis in verschillende dagetappes per Greyhound-bus voort. Ons eerste doel was de Grand Canyon, waar we enkele dagen bleven om van dit natuurwonder te genieten. Via Los Angeles en Highway Nr.1 togen we naar San Francisco. Ook daar maakten we weer een stop-over van enkele dagen. Vervolgens vlogen we naar New York, waar ik na twee dagen alleen achterbleef en mijn vrouw het vliegtuig nam naar Curaçao om de kinderen op te halen. Weer twee dagen later kwamen zij gedrieën aan op Kennedy Airport, waarna wij met z'n vieren met Icelandic Airways via Reykjavik naar Luxemburg vlogen, waar we afgehaald werden.

Zo kwamen we eind februari in Nederland aan. Daar stond onze nieuwe auto al klaar en zetten we ons verlof tot eind augustus voort alvorens met de KLM terug te vliegen naar Curaçao, waar een week later onze auto per boot aankwam. En zelfs de vrachtkosten daarvan vielen, evenals al onze persoonlijke vervoerskosten, binnen het budget van onze standaard reisvergoeding!

Per Greyhound door U.S.A., 1967

Geen wonder dus, dat we, nu we de smaak van dit alternatieve reizen eenmaal te pakken hadden, zes jaar later weer bij Dick van de Werff op de stoep stonden; ditmaal in de nieuwe vestiging aan het Schouwburgplein. En ook deze keer lukte het hem om onze zeer ambitieuze verlofplannen binnen het voor ons geldende reisbudget in te passen, waarbij hij ons met gepaste trots verzekerde dat dit voor hem een van de meest creatieve en uitgebreide arrangementen tot dan toe was.

Zo vertrokken wij op 1 juli 1973 met onze toen 11- en 9-jarige dochters voor een reis, die 3½ maand zou duren voordat wij in Nederland arriveerden, waar we de resterende 3½ maand van ons verlof zouden doorbrengen, alvorens naar Curaçao terug te keren. Onze meisjes, die in de zesde, resp. vierde klas van de lagere school zaten, hadden we voor een half jaar afgemeld. Geen probleem: op Curaçao bestond sowieso (nog) geen leerplicht; ze kregen hun leerboeken mee en pa zou hen in die zeven maanden qua kennis bijspijkeren. Dit laatste lukte zonder meer: aan het eind van het schooljaar gingen ze zonder problemen over naar de brugklas, resp. vijfde klas.

De eerste etappe van onze reis voerde ons per vliegtuig naar San José in Costa Rica, waar we enkele dagen bleven. Vervolgens vlogen we door naar Guatemala. We huurden daar een auto en verkenden het binnenland. Met name de streek rond het meer van Atitlan, omringd door vulkanen en bewoond door de oorspronkelijke indiaanse bevolking, afstammelingen van de vroegere Maya's, maakte een diepe indruk op ons qua natuurschoon en cultuur. Vooral de markten van Sololà en Chichicastenango, waar de indianen in hun oorspronkelijke klederdrachten hun waren te koop aanboden, waren voor ons fascinerend.

Markt in Sololà, Guatemala, 1973

Na een week leverden we onze huurauto weer in bij het vliegveld van Guatemala City en vlogen door naar Los Angeles. De eerste paar dagen werden besteed aan het bezoeken van enkele pretparken, met name voor de meisjes. Maar zelf beleefden we ook veel plezier aan attracties als Knott's Berry Farm, Disney Land en Universal Film Studio's. Daarna begon de 'ernst des levens' en gingen we op stap om een auto en kampeeruitrusting aan te schaffen. Het werd een okerkleurige Ford Pinto stationcar, compleet met namaak-houten panelen op de zijkanten en een bagagerek bovenop, waar de gekochte 4x4 meter grote tent een plaats vond.Vier slaapzakken, stretchers, lampen, gasstel, kookgerei en wat kleiner spul completeerden het geheel: alles bijeen voor $ 207,-! Aan de auto waren we $ 3200,- kwijt.

Arches National Park, Utah, 1973

Op 19 juli vertrokken we voor een tocht van 2½ maand en bijna 13.000 kilometer: van Los Angeles in het zuidwesten naar Montréal in het noordoosten van het continent. De tocht voerde ons langs interessante plaatsen, maar vooral naar Nationale Parken, beroemd om de schoonheid van hun natuur en geologische formaties. Zo mogelijk kampeerden we op campings binnen de Nationale Parken: enorm ruim van opzet, midden in de schitterende natuur en gratis. Je had er lang niet alle faciliteiten van een commerciële camping, maar dat gebrek vingen we op door om de 5/6 dagen, al naar gelang het uitkwam, een motelkamer te nemen.

Onze eerste bestemming was Sequoia Park met zijn enorme mammoetbomen. Yosemite Park maakte grote indruk met zijn door gletsjers uitgeschuurde rotswanden en watervallen. Via de Donner Pas en Lake Tahoe verlieten we Californië en begonnen aan een tocht van zo'n 700 kilometer dwars door de woestijn van Nevada naar Las Vegas. Van daaruit werd de kennismaking hernieuwd met de Grand Canyon. Zion Park met zijn indrukwekkende rotsformaties en Bryce Canyon met zijn filigrainwerk van okerkleurige zandsteen stonden als volgende op het programma. Vervolgens kwamen Monument Valley, Mesa Verde en Arches aan de beurt. Via Salt Lake City met zijn Mormonencultuur en Grand Teton Park bereikten we Yellowstone Park, waar we ruim een week de tijd namen om de talloze geysers en andere vormen van vulkanische activiteit te bewonderen. Omdat het steeds kouder begon te worden vertrokken we op 4 september, met nog een maand voor de boeg, vanuit Yellowstone in oostelijke richting. De volgende ochtend vernamen we via de autoradio dat door hevige sneeuwval 's nachts Yellowstone Park tot nader order volledig van de buitenwereld afgesloten was...

Intussen vervolgden wij onze tocht via Mount Rushmore met zijn enorme, in de rotsen uitgehouwen presidentenkoppen en Chicago naar Detroit, waar we o.a. de Fordfabrieken bezochten. Via de internationale tunnel trokken we Canada in op weg naar de Niagara Falls. Daar konden we op een mooie camping nog een dag of tien van de prachtige 'Indian Summer' en de vele bezienswaardigheden genieten. We verkochten er via een krantenadvertentie onze kampeeruitrusting en trokken via Toronto en Ottawa noordoostwaarts verder. In Montréal scheepten we ons op 4 oktober in op de 'Alexander Pushkin', een Russische cruise-boot, die ons via Le Havre en Londen naar Rotterdam bracht. Daar stapten we in onze auto, die als deklading meegekomen was en tuften naar Vaals, om er de resterende 3½ maand van ons verlof door te brengen.

Aan boord van de 'Alexander Pushkin', waar we heerlijk verwend werden, hadden we 2 weken de tijd gehad om weer wat op verhaal te komen en te wennen aan het comfort van het 'normale' leven. Hier ook hoorden we, dat de Yom Kippur-oorlog uitgebroken was tussen Israël en de omringende Arabische landen. Een en ander leidde o.a. tot de eerste oliecrisis en de daaruit voortvloeiende autoloze zondagen, waar wij in de rest van ons verlof mee te maken kregen. Dank zij onze Amerikaanse auto met Californische nummerplaten konden wij het nog enkele zondagen op vrijwel lege autowegen en straten uitzingen, maar na een absoluut zondagsrijverbod was ook dat voorbij. De rest van ons verlof verliep vrij rustig, de meisjes haalden hun leerachterstand in en eind januari 1974 vlogen we terug naar Curaçao, terwijl onze auto per boot nakwam.

De tocht van bijna drie maanden door de Verenigde Staten en Canada betekende voor ons gezin een voortdurende aanpassing aan soms de meest primitieve omstandigheden. De confrontatie echter met een welhaast ongerepte natuur, de 'ranger talks' 's avonds bij het kampvuur, de ontmoetingen met tientallen interessante mensen: dat alles heeft bij ons onuitwisbare herinneringen achtergelaten.

Grand Canyon, Arizona, 1973
 

TERUG

Toen ik in september 1964 begon met mijn combi-baan als leraar Duits aan beide R.K. middelbare scholen - Radulphus College voor jongens en Maria Immaculata Lyceum voor meisjes - had ik geen flauw idee van wat een en ander inhield. Pas gaandeweg werd mij duidelijk welke specifieke moeilijkheden ermee verbonden waren. Op de eerste plaats was Duits op Curaçao een facultatief vak voor Spaans, dat door het overgrote deel van de leerlingen gevolgd werd. De enkele leerling die voor Duits koos deed dat, omdat men ofwel op Curaçao de schoolopleiding wilde voltooien waaraan men in Nederland (zonder het vak Spaans) begonnen was, ofwel men had het nodig voor verdere studie in Nederland, waar men in de zestiger jaren Duits nog vaak propageerde voor het lezen van vakliteratuur, met name voor de studies geneeskunde en technische vakken.

Door uitbreiding van het aantal afdelingen op de middelbare scholen groeide niet alleen het aantal leerlingen, maar ook het aantal lessen Duits. Op Radulphus had je - naast een gezamenlijke onderbouw - een bovenbouw van H.B.S.-A, -B en -C. Deze laatste afdeling - onbekend in Nederland - vormde op de Nederlandse Antillen de onderbouw van de kweekschool voor onderwijzers. Op het M.I.L. had je een complete opleiding M.M.S., H.B.S.-B en later nog Gymnasium A en B. Na invoering van de Mammoetwet in Nederland werden ook op Curaçao genoemde leervormen vervangen door HAVO en Atheneum; op het M.I.L. bleef daarnaast het Gymnasium gehandhaafd.

Met soms maar enkele leerlingen Duits per leerjaar/afdeling was het logisch en steeds meer gebruikelijk, dat die leerlingen voor Duits in combinatieklassen ondergebracht werden en gedifferentieerd les kregen. Zodoende heb ik jarenlang aan soms uitzonderlijke combinaties les gegeven: 2 en 3 M.M.S., H.B.S. en Gymnasium bijeen, of 4 H.B.S.-A, -B en -C bij elkaar; met in totaal soms minder dan 10 leerlingen! De didactische en organisatorische moeilijkheden die dat opleverde moest je maar zien op te lossen.

Sinterklaasfeest op M.I.L., combi-klas 3HBS-MMS, 1964

Los daarvan was er behalve de leerboeken welhaast niets aan secundair lesmateriaal: dat moest alles opgebouwd worden. Met goedkope pocketboeken uit Duitsland werd een bibliotheekbestand opgezet; Duitse tijdschriften werden per niveau-groep besteld en maandelijks verspreid en via het Duitse consulaat op Pietermaai (tegenover de vroegere Roxy-bioscoop) kreeg ik grammofoonplaten met Duitse literaire teksten en -liederen; zelfs Duitse speelfilms kon ik er bestellen en met een gehuurde filmprojector op school draaien! Dit alles was broodnodig om een taal als Duits - op Curaçao een dode taal - voor leerlingen enigermate te activeren.

Duits consulaat Pietermaai, 1965

Eind zestiger jaren was het aantal uren Duits dermate toegenomen, dat er emplooi was voor een tweede fulltime leraar. Ik moest nu een keuze maken tussen beide middelbare scholen. Gezien mijn minder prettige ervaringen met de Fraters op Radulphus koos ik voor het M.I.L., waar ik me meer op mijn plaats voelde.
Inmiddels was ik in 1965 door de Inspectie Onderwijs benaderd om als examinator zitting te nemen in de examencommissie Duits L.O. Samen met Jo Vossen van het Colegio Arubano examineerde ik telkenjare de candidaten, die op Curaçao door Ad de Wit van het Stuyvesant College opgeleid werden, alsmede de candidaten van de opleiding op Aruba. Toen collega De Wit in 1967 wegens vertrek naar Nederland met de cursus Duits L.O. stopte ben ik ingesprongen, om zijn cursisten nog 2 jaar de kans te geven hun opleiding af te ronden.

Hoewel zoiets niet voor de hand lag, werd ik telkens weer benaderd door mensen - vaak ouders van leerlingen - die graag eens kennis wilden maken met de Duitse taal of hun vroegere kennis daarvan wilden opfrissen. Zodoende heb ik in 1969, 1972 en 1975 gedurende 10 maanden 's avonds aan huis met veel plezier en respons deze cursussen gegeven voor beginners en gevorderden.

Gezien het feit dat televisie in die tijd op Curaçao nog in de kinderschoenen stond, er voor het overige ook betrekkelijk weinig culturele activiteiten plaats vonden en de lessen op school als regel om 13.15 uur afgelopen waren vond ik het geen straf om een deel van mijn vrije tijd aan extra lessen of verdere studie te besteden.
Soms werd er een beroep op je gedaan in een situatie waarin je als een van de weinige docenten voor het vak Duits moeilijk 'nee' kon zeggen. Maar steeds betrof het iets totaal nieuws; een uitdaging en dat was altijd al een kolfje naar mijn hand.

Zo werd ik bij de oprichting van de Antilliaanse H.T.S. - voorloper van de Universiteit Nederlandse Antillen - in 1972 door de Directeur ervan benaderd om voor de afdelingen Werktuig- en Machinebouw een lesprogramma Technisch Duits en Vakliteratuur te ontwikkelen. Ik nam die uitdaging aan en heb daar 4 jaar lang deze lessen verzorgd.

Baai Port Marie

De Directeur van de Triniteitsmavo aan de Comanchestraat zat bij het begin van het schooljaar 1974-75 zonder leraar Duits en deed een beroep op mij. Ook daar heb ik de examencandidaten voor Duits mede aan hun diploma geholpen.
Ik denk dat er op de Nederlandse Antillen weinig leerkrachten zijn geweest, die op zoveel onderwijsniveaus les gegeven hebben: zowel Lagere School als Mulo; H.B.S., M.M.S. en Gymnasium; na invoering van de Mammoetwet op de Antillen ook HAVO en Atheneum en verder dus H.T.S. en opleiding en examinering Duits L.O. Later kwam daar ook nog het onderwijs aan volwassenen via het Curaçaos Avondlyceum bij: een heel palet!

Faya Lobi

Om een iets bredere basis te creëren en voor het geval dat het aantal lessen Duits zou teruglopen schreef ik mij in 1971 in voor de opleiding Nederlands M.O.-A. Deze opleiding werd op Curaçao gegeven en geëxamineerd. De mondelinge examens werden als regel door examinatoren uit Nederland afgenomen, die daarvoor door het Departement van Onderwijs werden aangetrokken; uiteraard met vergoeding van reis- en verblijfkosten. We begonnen de cursus met 12 man, maar na een jaar waren er nog 3 cursisten over, zodat de opleiding gestaakt werd en er dus ook geen examen meer volgde. Na terugkeer van mijn groot verlof in 1974 begon ik daarom aan een opleiding Engels, die meer perspectief bood. Een jaar later slaagde ik voor L.O. en anderhalf jaar daarna voor M.O.-A. Prompt werd ik benaderd door mijn ex-collega Rudy Lourents, die inmiddels Rector was van het Curaçaos Avondlyceum. Hij had dringend behoefte aan een leraar Engels voor de Avondhavo, dus heb ik tot aan mijn definitieve vertrek van Curaçao in die behoefte voorzien.

Inmiddels was het aantal leerlingen, dat Duits in plaats van Spaans koos, aardig teruggelopen. Maar geen nood: door een sterke aangroei van het leerlingenaantal op het M.I.L., mede veroorzaakt door het feit, dat ook jongens toegelaten werden, kwam het vaker voor, dat - met name in de brugklassen - een tekort aan docenten ontstond voor de vakken Nederlands, Aardrijkskunde en Geschiedenis, waarvoor dan door de schoolleiding een beroep op mij gedaan werd om die hiaten op te vullen. Op basis van mijn oude Hoofdakte was ook dat gesneden koek voor mij.

Dividivi op Barber

Medio 1975 vertrok Herman Veerkamp, tot dan brugklasleider aan het M.I.L., voorgoed naar Nederland. Silvio Jonis, die inmiddels Huub Bongers als Rector was opgevolgd, vroeg mij, of ik die functie wilde overnemen. Dit betekende een nieuwe uitdaging die ik met genoegen aanging. Zodoende heb ik tot aan mijn vertrek naar Nederland de brugklasleerlingen van het M.I.L. gedetermineerd en geadviseerd bij hun keuze voor MAVO, HAVO, Atheneum of Gymnasium. De bij die functie behorende studielessen heb ik in die tijd samen met collega Harry da Silva verzorgd.
In oktober 1977 werd ik benaderd door Frank Maynard, voorzitter van de 'Curaçao Hotel Association' met het verzoek een avondcursus Duitse conversatie voor leidinggevend hotelpersoneel op te zetten. Men was namelijk in onderhandeling met de 'Deutsche Lufthansa', die directe vluchten van Düsseldorf naar Curaçao zou gaan verzorgen. Weer kon ik geen 'nee' zeggen en heb deze lessen opgezet en gegeven.

Daartussendoor kwam van de Rechtbank op Curaçao het verzoek om enige documenten, die in het Duits gesteld waren en op een rechtszaak betrekking hadden, te vertalen in het Nederlands. Daartoe moest ik eerst beëdigd worden. Sindsdien ga ik (ook) door het leven als beëdigd tolk-vertaler...

Met bovenstaande voorbeelden wil ik aangeven, hoe gevarieerd en vol afwisseling mijn leven als leerkracht op Curaçao geweest is: vol uitdagingen, nieuwe wegen en vaak verrassende ontwikkelingen. In de 14 jaar als leraar Duits heb ik geen twee jaar achtereen hetzelfde lesrooster gehad: elk schooljaar bracht iets nieuws voor mij. Natuurlijk lag dat vooral aan de unieke situatie, waarin ik mij als leraar Duits op Curaçao bevond.

De twee meest interessante episodes echter betroffen activiteiten op de zustereilanden Aruba en Bonaire. Een verslag daarvan geef ik in het volgende deel.

Handelskade bij nacht

TERUG
 

 


A. ARUBAANS INTERMEZZO

Medio 1974 lukte het mijn vakbroeder Jo Vossen van Colegio Arubano een baan als leraar Duits in Nederland te krijgen. Aangezien zijn contract dat jaar afliep kon hij aan het eind van het schooljaar meteen vertrekken. Nu was Leiden (in dit geval: Aruba) in last. Colegio Arubano kon op zo korte termijn geen leraar Duits uit Nederland aantrekken, terwijl er zo'n achttal Atheneum-kandidaten Duits waren voor het eindexamenjaar, alsmede één kandidaat HAVO. Daarnaast waren er ook nog de nodige leerlingen Duits in klas 4 en 5 Atheneum, alsmede een niet gering aantal in de onderbouw. Voor die laatste categorie vond men (noodgedwongen) een onderwijzer met L.O.-Duits op het eiland, maar dat was geen optie voor de bovenbouw Atheneum, laat staan voor de examenkandidaten.

Landschap op Aruba

Ten einde raad nam Richard Harms, Rector van het Colegio Arubano, contact op met zijn collega's op Curaçao. En zodoende kwam Rector Huub Bongers van het M.I.L. bij mij terecht met de vraag of ik genegen was zijn collega op Aruba uit de brand te helpen. Het kwam erop neer, dat ze mij voor 10 lesuren op Aruba nodig hadden. Daartoe zou ik 2 ochtenden, te weten op dinsdag en donderdag, telkens voor 5 lesuren naar Aruba vliegen om daar Duitse les te geven. Volgens mijn Rector was er roostertechnisch geen bezwaar: met mijn uren Duits kwam ik op het M.I.L. toch al niet meer aan een volledige betrekking. Mijn tekort aan uren kon ik nu mooi op Aruba aanvullen. Ik vroeg om enkele dagen bedenktijd. Na een week kwam Rector Harms met het volgende voorstel: voor de 10 lessen aan klas 4, 5 en 6 Atheneum op dinsdag en donderdag zou ik een dubbele betaling, d.w.z. 20 lesuren vergoed krijgen! Uiteraard kwam daar voor beide dagen een retourticket Curaçao-Aruba bij, alsmede een behoorlijke vliegongevallenverzekering. Dit aanbod was te mooi om af te slaan, temeer omdat dit weer een nieuwe uitdaging betrof, die ik graag aanging.

En zo tufte ik vanaf begin september elke dinsdag en donderdag rond kwart over zeven naar Hato. Vanaf ons huis op de Rooseveltweg was dit amper 5 minuten rijden. Ik parkeerde mijn wagen vlak voor de vertrekhal (dat kon toen nog!) en kon meteen doorlopen naar het toestel van de A.L.M. dat, nadat ik was ingestapt, om half acht vertrok, richting Aruba. Tien minuten later landden we aldaar en weer tien minuten daarna stapte ik vóór de aankomsthal van de Prinses Beatrix Luchthaven in de grote open Amerikaanse slee, waarmee de conciërge van het Colegio Arubano me kwam afhalen. Om acht uur was ik dan op school; tijd genoeg voor een kop koffie en een praatje met collega's, alvorens de lessen om half negen begonnen. Die duurden tot half een, waarna ik nog een privéles gaf aan de ene HAVO-examenkandidate, die de overige lessen Duits in de Atheneum-examenklas volgde. Om kwart over een stapte ik dan weer bij de conciërge in de Ford Convertible, die mij op tijd bij de airport afleverde om de retourvlucht van half twee te halen. Als regel was ik dan om twee uur weer thuis op de Rooseveltweg, zonder files of ander oponthoud.

De resultaten van de schoolonderzoeken en andere toetsen waren na een half jaar dermate bevredigend, dat Rector Harms mij met ingang van het nieuwe schooljaar een volledige betrekking aan het Colegio Arubano aanbood. Aangezien dat niet alleen voor mij, maar ook voor mijn vrouw en twee dochters een verhuizing naar een totaal nieuwe leefwereld betekende, besloten we vooreerst de Paasvakantie op Aruba door te brengen, ter kennismaking. En hoewel die kennismaking niet tegenviel, besloten we toch maar voorlopig nog op ons vertrouwde Curaçao te blijven. Zodoende nam ik aan het einde van het schooljaar met een voldaan gevoel afscheid van het Colegio Arubano. De missie was geslaagd: alle examenkandidaten hadden hun diploma behaald.

Van de extra verdiensten boekten mijn vrouw en ik een reis van drie weken naar Ecuador en Peru, met als hoogtepunten Cuzco en Macchu Pichu. Gelukkig wisten we toen nog niet, dat we over die extra inkomsten jaren later alsnog de rekening gepresenteerd zouden krijgen, via de eindafrekening van de Belastingdienst....

Kon.Emmabrug in vogelvlucht

 

B. BONAIRIAANS AVONTUUR

Zoals reeds eerder vermeld, fungeerde ik sinds september 1975 aan het M.I.L. als brugklasleider. Ook dit was een kolfje naar mijn hand en mede daardoor stopte ik er redelijk wat tijd en energie in. Dat bleef niet onopgemerkt, want in mei 1976 werd ik uitgenodigd voor een gesprek op het Departement van Onderwijs door Inspecteur Clark de Windt, samen met mijn Rector Silvio Jonis en H.Toré, Directeur van de MAVO - LBO - Scholengemeenschap op Bonaire. Daar kreeg ik te horen, dat het Departement van plan was om aan genoemde Scholengemeenschap met een 3-jarige HAVO-onderbouw te starten. In deze opzet hoefden de daarvoor in aanmerking komende leerlingen van Bonaire niet al op 12- of 13-jarige leeftijd naar een internaat op Curaçao gestuurd te worden om aan de HAVO-opleiding aldaar te beginnen. Aan mij werd gevraagd of ik bereid was als coördinator voor deze opleiding te fungeren en zo ja, of ik een idee had hoe een en ander in zijn werk moest gaan. De eerste vraag kon ik met 'ja', de tweede met 'neen' beantwoorden.

Aangezien geen van mijn drie gesprekspartners wist hoe hun plan gerealiseerd moest worden - het ging tenslotte om een totaal nieuw experiment waarvoor geen blauwdruk bestond - kreeg ik van hen carte blanche alsook volledige medewerking toegezegd van de Minister van Onderwijs himself, de Inspectie Onderwijs en de directies van beide deelnemende scholen. De bedoeling was dat ik een plan van aanpak zou ontwerpen, waarmee ik met ingang van het nieuwe schooljaar vanuit mijn positie als brugklasleider van het M.I.L. de aldaar gebruikelijke lesmethodes, leerboeken, didactiek, testmomenten en proefwerken voor alle relevante leervakken in de brugklas zou coördineren en doorgeven aan de docenten van de Scholengemeenschap op Bonaire. Die zouden dan met dat leerpakket in hun brugklas aan de slag gaan.

Noordkust: Boca Pistol

Na heel wat gepraat en geschrijf over en weer en de nodige vergaderingen met de betrokken docenten van beide scholen begon een en ander vaste vorm aan te nemen en hadden we na drie maanden een plan de campagne, waarmee we van start konden. Afgesproken werd, dat de docenten in kwestie van Bonaire elk trimester een dag naar Curaçao zouden komen om met hun vakcollega's aldaar van gedachten te wisselen over het lesprogramma en eventuele knelpunten aan de orde te stellen en op te lossen. Bovendien zou ik zelf twee maal per trimester een dag naar Bonaire vliegen: midden in het trimester om de gang van zaken, met name de voortgang te controleren en aan het eind om de rapportvergadering te leiden. Identieke proefwerken werden parallel aan die op Curaçao gegeven.

Deze toetsen, alsmede de bijbehorende correctiemodellen en normen werden opgesteld door de docenten van het M.I.L. De Minister van Onderwijs, onder wiens supervisie dit experiment rechtstreeks ressorteerde, had met zijn collega van Verkeer afgesproken, dat de piloten van de A.L.M., die de vluchten tussen Curaçao en Bonaire verzorgden, persoonlijk zorg zouden dragen voor het vervoer van proefwerken en wat dies meer zij. Daartoe reed ik daags voor een toets of proefwerkweek naar Hato (een paar minuten rijden vanaf mijn huis), om zelf de opgaven af te leveren bij de betreffende piloot. Een telefoontje naar de school op Bonaire zorgde ervoor, dat de papieren op het vliegveld aldaar opgehaald werden door de Directeur of de conciërge. Op deze manier was continuïteit gewaarborgd en verliep alles naar wens.

De trip naar Bonaire, eens in de zes weken, moest ik zelf van tevoren boeken en later declareren. Dit ging een paar maal goed, tot ik op zekere dag te horen kreeg, dat de vlucht naar Bonaire voor de volgende ochtend volgeboekt was. Goede raad was duur, want nu zouden zo'n dozijn docenten, die hun leerlingen voor die dag vrijaf gegeven hadden, tevergeefs op hun coördinator uit Curaçao wachten.

Gelukkig kende ik inmiddels een A.L.M.-piloot, die ook instructeur bij de Aeroclub was en die de volgende dag geen dienst had. Hij bood aan mij met een Cessna naar Bonaire te vliegen en 's namiddags weer op te halen. En dat alles voor dezelfde prijs als van een A.L.M.-ticket. Een telefoontje naar de Minister van Onderwijs met dit voorstel verleende mij de toestemming, waarbij hij mij verzekerde mijn creatieve oplossing ten zeerste te appreciëren. Voor mij ging een langgekoesterde jongensdroom eindelijk in vervulling: mijn eerste vliegles! Het was echt geen toeval, dat er in de tijd erna wel eens vaker geen A.L.M.-ticket voor mij beschikbaar was... Toen is de basis gelegd van wat ik 12 jaar later zou gaan realiseren: mijn vliegbrevet!

Privé 'lijndienst' Hato-Bonaire!

Eigenlijk liep het hele Bonaire-experiment zo voorspoedig, dat ik na een half jaar pas besefte, dat er nog iets aan ontbrak: de financiële vergoeding. Bij aanvang van het project was afgesproken, dat ik een equivalent van 12 lesuren per week uitbetaald zou krijgen: 3 maanden om het plan uit te werken en op papier te zetten en vervolgens een heel schooljaar voor de realisatie ervan. Aangezien dit experiment (en de betaling ervan) direct onder het Ministerie viel en mijn bezoldiging via het Eilandgebied liep, moest er een desbetreffend Landsbesluit komen. En dat bleef maar uit, ondanks enkele telefoontjes van Rector Jonis dienaangaande.

Een week voor de Kerstvakantie, nota bene zeven maanden na begin van het project, meldde ik mij ten einde raad bij de Rector met de boodschap, dat ik van schouderklopjes alleen niet kon leven en dat ik per 1 januari mijn werkzaamheden voor het Bonaire-project wegens wanbetaling zou beëindigen. Rector Jonis stuurde een brief van die strekking naar het Departement, met als gevolg, dat ik vóór 1 januari alle achterstallige vergoedingen op mijn bankrekening had. De betalingen liepen maandelijks door tot eind augustus. Toen werd het experiment wegens succes geprolongeerd. Weer bleven de vergoedingen in het nieuwe schooljaar uit. Weer stond ik medio december bij Rector Jonis op de stoep, met dezelfde boodschap als het jaar daarvoor. Zonder commentaar trok de Rector een archiefla open, haalde de brief van het jaar daarvoor tevoorschijn, veranderde enige data en stuurde hem naar het Departement, met na een week hetzelfde resultaat.... O ja: de desbetreffende Landsbesluiten kreeg ik later bij mijn vertrek van Curaçao mee!

Penha bij nacht

Het project HAVO-Bonaire bleek inderdaad uitermate succesvol. Aan het einde van het eerste schooljaar kregen van de 21 leerlingen er 18 advies VWO, 2 advies HAVO en 1 MAVO. Geen wonder dus dat het experiment werd voortgezet, met gelijkblijvend resultaat, zodat na het derde jaar bijna alle kandidaten hun opleiding Atheneum- en HAVO-bovenbouw op Curaçao konden voltooien.
Naar mijn mening was dit grandioze succes in hoofdzaak toe te schrijven aan het grote enthousiasme en de enorme inzet, die op Bonaire door een 12-tal docenten, veelal onderwijzers met Hoofdakte of een of meer L.O.-aktes, geleverd werd. Hoe dan ook, het welslagen van dit experiment was voor het Departement van Onderwijs aanleiding om een soortgelijk project, weer onder mijn supervisie, op te zetten voor St.Maarten. Door mijn vertrek naar Nederland in 1978 en een reorganisatie op het Departement verdwenen die plannen echter in de ijskast.

Carnaval
 

 TERUG


A. AFSCHEID VAN CURAÇAO

Midden zeventiger jaren begon ik over repatriëring te denken. Daarvoor bestonden verschillende redenen. Eén daarvan was het feit, dat ik zo'n jaar of vijf, zes later - op mijn vijftigste - gepensioneerd zou worden en daarvoor voelde ik me toch nog te jong.

Een andere - zwaarwegender - reden betrof de toekomstmogelijkheden van mijn beide dochters. Over enkele jaren zou de oudste haar Atheneumexamen doen; de jongste twee jaar later. Serieuze vervolgstudiemogelijkheden waren er (nog) niet op Curaçao, dus was Nederland de meest voor de hand liggende optie. En om twee op het eiland geboren en getogen tienermeisjes alleen naar een voor hen in velerlei opzicht vreemd land te laten gaan, daar voelden zowel mijn vrouw als ikzelf weinig voor.

Brionplein nieuwe stijl

Daar kwam bij, dat - ondanks mijn interessante en zeer afwisselende werkkring - het gevoel van onbehagen vanwege de lage maatschappelijke en daardoor ook financiële status van leerkrachten op de Antillen allengs sterker werd. Met het verstrijken van de jaren maakte de charme van het pionieren plaats voor de werkelijkheid van het continu moeten lesgeven in hete houten barakken met vaak primitieve leermiddelen. Kortom: ik was aan verandering toe!

Tijdens de zomervakantie in 1977 in Nederland had ik mijn voelhorens uitgestoken en al gauw was het mij duidelijk geworden, dat ik op een snel krapper wordende arbeidsmarkt bij het Middelbaar Onderwijs aldaar weinig kansen had. Door mijn leeftijd zou ik vanwege het verdringingseffect bij inkrimping van lessen een gevaar vormen voor jongere, maar langer zittende docenten, waardoor ik bij vacatures al bij voorbaat geweerd werd. Dus zou ik het moeten zoeken in een leidinggevende functie, waar genoemd effect geen rol speelde. Mijn gedachten gingen daarbij uit naar Zuid-Limburg, de streek waar ik vandaan kwam.

Toevallig stonden er eind maart 1978 in het Onderwijsblad twee vacatures, die mijn belangstelling wekten: een van Directeur van de Mavo in mijn geboorteplaats Vaals, de ander van plaatsvervangend Rector aan het Avondcollege Maastricht, een middelbare school voor volwassenen, het zogenaamde tweedekansonderwijs. Op beide vacatures solliciteerde ik en omdat ik heel goed besefte, dat ik weinig kans maakte zonder sollicitatiegesprek vermeldde ik erbij, dat ik daarvoor vrijblijvend en op eigen kosten in de Paasvakantie naar Nederland zou komen, als ik een kans van slagen had.

Voor de baan als conrector in Maastricht werd ik geselecteerd uit 53 sollicitanten, hoofdzakelijk academici en eerstegraads docenten. Waarschijnlijk viel de keus op mij, omdat de school als voortzetting van de zogenaamde 'Moedermavo' nu ook een daghavo voor volwassenen wilde opzetten en daarmee had ik met mijn Havoproject op Bonaire de nodige ervaring opgedaan. Het streelde mijn ijdelheid echter niet minder en vooral wegens de grotere uitdaging koos ik dan ook voor Maastricht.

Terug op Curaçao was het zaak om in de resterende tien weken ons huishouden daar op te heffen en alles te regelen voor ons vertrek. Daar kwam heel wat bij kijken: de auto's verkopen was nog het makkelijkst en via een 'porch sale' raakten we voor een habbekrats ons meubilair en de inboedel en alles wat we niet wilden meenemen kwijt. Het ergste was echter het zogenaamde 'loopbriefje': een document, waarop je zo'n 15-tal handtekeningen en stempels moest verzameld hebben, alvorens je je vertrek-permit kreeg van de Vreemdelingendienst. Allerlei instanties en nutinstellingen zoals waterleidingbedrijf, elektra, telefoondienst, enz. moesten via deze lijst te kennen geven, dat je zonder schulden het eiland verliet. Het spreekt vanzelf, dat je bij verschillende instanties soms twee of drie keer moest terugkomen vooraleer de eindafrekening klaar was.

Als klap op de vuurpijl kwam de Belastingdienst, waar men 6 (zes!) jaar achterlag met de definitieve aanslag. En juist in die laatste jaren had ik aardig wat neveninkomsten gehad, waarover al dan niet loonbelasting ingehouden was. Ook mijn vrouw, die na de eerste tien jaar van verplichte werkeloosheid hier en daar wat uurtjes Handvaardigheid en Engels had gegeven met haar op Curaçao behaalde L.O.-aktes, had daarover loonbelasting betaald.

Scharloo

Twee factoren echter maakten de eindafrekening onevenredig kostbaar. Allereerst was de belasting op de Antillen progressief: geen schijvenstelsel of vaste percentages zoals in Nederland, maar het belastingpercentage over het gehele inkomen steeg naarmate dit inkomen hoger was. En bovendien was de belasting cumulatief: het inkomen van mijn vrouw werd bij het mijne geteld, tengevolge waarvan het belastingpercentage van het geheel weer flink hoger werd. Kortom: ondanks het feit dat ik met een en ander rekening gehouden had en (gelukkig!) flink wat opzij gelegd had, was na de eindafrekening - op een paar honderd gulden na - alles weer op en verliet ik het eiland, zoals ik gekomen was: platzak, een illusie armer maar vele ervaringen rijker. En na een denderend afscheidsfeest met zo'n zestig mensen die ons dierbaar geworden waren, vertrokken we van Curaçao na ruim zeventien jaar, met pijn in ons hart, op weg naar een nieuwe toekomst.

 

B. EEN NIEUW BEGIN

In menig opzicht was ons eerste jaar terug in het vaderland de meest turbulente tijd van ons leven. De overgang van Curaçao naar Nederland was zowel voor mij als mijn vrouw groter dan 17 jaar daarvoor in omgekeerde richting. Van een vrij relaxed leven op een zonnig eiland kwamen we terecht in een maatschappij, die harder, directer en gehaaster was. De welvaart was er stukken hoger, maar daar werd dan ook flink voor gewerkt. Voor onze meisjes, echte allochtonen, opgegroeid in het beschermde milieu van het eiland, was de schok nog groter. Het heeft echt jaren geduurd, eer we ons enigszins aan het leefklimaat hier hadden aangepast.

Ons uitzicht op het Limburgse heuvellandschap

Naast het feit dat ik me moest inwerken in een compleet nieuwe baan werd ik ook geconfronteerd met de noodzaak een thuis voor ons vieren te realiseren. Dat betekende een huis zoeken, kopen, laten verbouwen en compleet inrichten. Dat alles kostte een vermogen, maar met een goede baan achter de hand en een salaris, dat netto ruim het drievoudige van dat op Curaçao was, waren de banken zeer coulant. Op Curaçao waren we in zeventien jaar niet in staat geweest om wat voor huis dan ook te kopen; hier kochten we een riante bungalow nog voordat ik er een dag voor gewerkt had.

Winter in het Vaalser bos

Het aanvaarden van mijn functie als conrector/ plaatsvervangend Rector aan het Avondcollege Maastricht kun je vergelijken met het trachten op een rijdende trein te springen, die steeds sneller gaat. In ieder geval was het een zeer dynamische job, in alle opzichten. In 1978, toen ik er begon, bestond de school uit een avondmavo, -havo, -atheneum en -meao, met daarnaast een dagmavo; zo'n 800 leerlingen in totaal. Binnen 3 jaar was dat aangegroeid tot zo'n 2500 leerlingen, met daghavo en -atheneum er bij. Door fusies en samenwerkingsverbanden steeg het totale leerlingenaantal tot ruim 6000: een schoolvoorbeeld van schaalvergroting!

Door de constante groei en de voortdurende veranderingen en vernieuwingen van leerprocessen in onderwijsland kwam een meer dan evenredig deel van de werkzaamheden bij de schoolleiding terecht, waarbij het feit, dat er zowel overdag als 's avonds lessen gedraaid werden de werkdruk drastisch opschroefde. Terugblikkend op die tijd kan ik stellen, dat ik - ondanks de zeer afwisselende en uitdagende werkzaamheden - mijn tropenjaren in Nederland heb gehad. Toen ik dan ook na tien jaar, op mijn 56ste, de kans kreeg met de V.U.T. te gaan, vond ik het welletjes. Met mijn Antilliaanse pensioen vanaf mijn 50ste en mijn V.U.T.-uitkering was ik klaar voor de volgende fase, met nieuwe mogelijkheden.

 

C. ACHTER DE GERANIUMS

Eindelijk kon ik nu mijn lang gekoesterde jongensdroom realiseren, waartoe ik op Curaçao het geld en later in Nederland de tijd niet had: leren vliegen! Het was geen peulenschilletje op 56-jarige leeftijd, maar twee jaar later had ik zowel mijn nationaal- als mijn internationaal vliegbrevet op zak en vanaf toen gold: "the sky is the limit"! Met kleine tochtjes en veel "touch and go's"  bouwde ik ervaring en vlieguren op, tot ik letterlijk mijn vleugels kon uitslaan in heel West-Europa. Ook tijdens vakanties in verre landen en andere continenten huur ik vaak een Cessna om interessante plaatsen in een andere dimensie te zien. Het gevoel van vrijheid en de kick die vliegen je geeft zijn onbeschrijfelijk, zelfs als je 75 bent. Op Curaçao was ik al enkele malen te gast bij de Aeroclub op Hato.

A propos Curaçao: na onze repatriëring heeft het zeven jaar geduurd eer we er weer naar toe gingen. Daarna werden de tussenpozen steeds korter. De laatste jaren brengen we er als regel de maand februari door. Als je dan landt op Hato en boven op de vliegtuigtrap de warmte en de geuren van het eiland je tegemoet slaan, dan voelt dat aan als thuiskomen. En daarmee is de cirkel rond, want zodoende verenig je het beste uit twee werelden. De realiteit van het heden en de nostalgie van het verleden vloeien samen:

Curaçao, de tijd van mijn leven!

450 

TERUG

 

In 1961, het jaar van aankomst op Curaçao, hadden we in de Kerstnacht, samen met Nederlandse collega's, de Nachtmis bezocht in de (nood)kerk van Brievengat. De dienst, waarbij in het Nederlands gebeden, gezongen en gepreekt werd, had niet veel indruk op ons gemaakt, zodat we in het jaar daarop de Nachtmis lieten voor wat het was.

 

Ook in 1963 hadden we met de Kerst geen plannen om naar de Nachtmis te gaan, temeer omdat ons eerste dochtertje nog maar anderhalf jaar oud was. Speciaal voor haar hadden we bij Centrum van Wilpen op Mahaai onze eerste kerstboom gekocht. Tot onze verbazing waren die ook op Curaçao volop te krijgen. Ze kwamen uit Canada of Venezuela en door het warme weer was de geur ervan in huis zo sterk, dat we de handelaren ervan verdachten dat ze ze met een spuitbus met dennengeur behandeld hadden. De kerstversiering, zoals lampjes, ballen en slingers kochten we bij La Ganga in Punda.

We woonden toen op de Didoweg, Santa Rosa en hadden sinds een tijdje nieuwe buren. Hij, een 'yu di Korsow', had net in Nederland een langdurige studie met succes afgerond en was naar zijn geboorteland teruggekeerd om daar te werken. Zijn vrouw was Venezolaanse van afkomst. Ze hadden drie jonge kinderen. Veel contact hadden we niet: het bleef bij een praatje aan het hek. Wel luisterden we met stijgende waardering naar de Zuid-Amerikaanse en Mexicaanse muziek, die ze regelmatig draaiden en waarvan wij via de open shutters konden meegenieten.

In de weken voor Kerstmis veranderde plotseling het repertoire en hoorde we kinderkoortjes, die met schelle stemmetjes en in een vreemd ritme liedjes in het Spaans zongen. Desgevraagd kregen we te horen, dat het om aguinaldos ging: van oorsprong Venezolaanse kerstliedjes, die door groepen kinderen in de weken voor de Kerst op verschillende plaatsen in de stad of het dorp gezongen werden en die inmiddels ook hun weg op Curaçao gevonden hadden. En ja hoor: bij navraag bleek, dat op verschillende plaatsen in de stad kinderkoortjes met aguinaldos-liedjes optraden, begeleid door een conjunto: een groepje muzikanten.

Onze buurman vertelde verder, dat er in de Nachtmis in de kerk van Santa Rosa ook een aguinaldos-groep zou optreden en dat dit beslist de moeite waard was om naar toe te gaan. Op onze tegenwerping dat wij vanwege ons kind niet weg konden, antwoordde hij, dat zijn vrouw, die door hun kinderen ook niet naar de Nachtmis kon, wel als oppas voor de kleine wilde fungeren.

Kerk van Santa Rosa

En zo togen wij op kerstavond tegen half twaalf vol verwachting naar de kerk van Santa Rosa. Naarmate we dichterbij kwamen, zagen we uit het duister van alle kanten mensen aankomen, die kennelijk het zelfde doel hadden. Gelukkig waren we vroeg genoeg om nog een plaatsje ergens in het midden te vinden. Tien minuten later was de kerk propvol. We keken eens om ons heen. Opvallend was hoe feestelijk gekleed alle mensen waren: de mannen zonder uitzondering in meestal donkere, of anders zeer lichte pakken, met stropdas; de vrouwen op hun paasbest in feestelijke, kleurige jurken, de meesten met een koket hoedje op. De meisjes in hun feestjurkjes, vaak met een strik in het gladgestreken haar, leken wel theepoppen, terwijl de jongens ook als regel in pakjes rondliepen. Sommige dames hanteerden een waaier, waarmee ze zich koelte toewuifden, hoewel de wind door de geopende houten shutters voor de nodige afkoeling zorgde in de overvolle kerk, die door veel kaarsen en lampen feestelijk verlicht was. De geur van de kerstbomen naast het hoofdaltaar vermengde zich met de zware lucht van de wierook en verdreef het parfum van de dames. Mijn vrouw en ik keken elkaar eens aan en voelden ons in dit hele gebeuren als vreemde eenden in de bijt.

De Nachtmis begon. De misgebeden en de preek in het Papiaments konden we nauwelijks volgen, ofschoon de strekking ervan duidelijk was. Kerstliederen werden er volop gezongen in het Papiaments, Nederlands en Engels. Ook een aguinaldos-groep op het priesterkoor droeg met zijn schrille kinderstemmetjes bij aan de feeststemming. Want ondanks het gemis van de voor ons zo noodzakelijke knusheid van sneeuw, kou en behaaglijk warme kleren heerste er hier een sfeer van saamhorigheid en eensgezindheid, die we vroeger in Nederland met de Kerst nooit zo sterk ervaren hadden als hier. Het kerstgevoel deed aan als een weldadig warme golf, waarin je mee opgenomen werd en je niet langer meer buitenstaander voelde.

Ook na afloop buiten waar iedereen elkaar 'bon Pascu' wenste, de kinderen roepend door elkaar heen liepen en er een aangenaam geroezemoes van stemmen was, hield die vredige stemming aan. Totaal onbekende mensen kwamen op ons af en wensten ons 'bon Pascu'. Je werd als het ware opgenomen in het feestgewoel; een totaal andere ervaring dan we vanuit Nederland gewend waren. Maar ook daar en toen schoven er beelden voor mijn netvlies, die luttele weken daarvoor over de hele wereld waren gegaan en iedereen in het diepst van zijn hart getroffen had: een jonge, veelbelovende president van het machtigste land ter wereld, waarop ieder zijn hoop gevestigd had, werd voor het oog van de hele wereld neergeschoten als een hond.

Toen was er in één klap een einde gekomen aan mijn jeugdige onbevangenheid, mijn geloof in een maakbare wereld, in het goede in de mens: ik was cynischer, kortom ik was volwassen geworden. En daarom bleven de woorden van de pastoor aan het einde van de Mis over 'vrede op aarde' en 'mensen van goede wil' cynisch naklinken, dissonnerend met de stemming om mij heen. Ook toen we door het donker naar huis terugliepen doemden die beelden telkens weer op, als boze geesten en ik maakte er onze buurman, die druk babbelend naast me liep, deelgenoot van. Hij werd er stil van.

Thuisgekomen bleek ons dochtertje doorgeslapen te hebben en werden we door de buren uitgenodigd op een traditioneel kerstontbijt. Blij verrast namen we de uitnodiging aan en proefden we voor het eerst ayaca's: funchi gevuld met een mix van gebraden gehakt, krenten en gewelde zwarte pruimen, verpakt en gekookt in een bananenblad. Het was een origineel Venezolaans kerstrecept, dat, net als de aguinaldos, vaste voet op Curaçao gekregen had. Ook proefden we van de pekelé: gezouten ham, waarin kruidnagelen gestoken werden en die dan in de oven gebraden werd. Het was lekker, het was gezellig en de sombere gedachten werden naar de achtergrond gedrongen.

Een week later, op Oudejaarsdag, kwamen we op weg naar de stad langs plekken en door wijken, waar al volop vuurwerk afgestoken werd. Met name op Mahaai en voor de woonhuizen en winkels van Chinezen werden hele matten klappers aangestoken. Guirlandes van klappers, soms tientallen meters lang, hingen van de ene lantaarnpaal naar de andere en leverden na de jaarwisseling rode tapijten van vuurwerkresten op. Met al die herrie zou men de boze geesten van het afgelopen jaar verdrijven om het nieuwe jaar met een schone lei te kunnen beginnen, geloofde men.
Boze geesten, haha, het zou wat!..........

's Avonds thuis nam het knallen toe naarmate de avond vorderde en om middernacht bereikte het zijn climax. Mijn vrouw en ik wensten elkaar een gelukkig Nieuwjaar en gingen nog even de tuin in om van het vuurwerk te genieten dat het hele eiland in een onwaarschijnlijke feestverlichting zette. Na een poosje nam het spektakel geleidelijk af en gingen we weer naar binnen. Even later hoorde ik geschuifel op de porch en daar stond onze buurman, in zijn hand een soort koekblik met daarin gloeiende kooltjes en walmende wierook. Hij wenste ons beiden een 'bon aña nobo'.
Op mijn vraag wat hij met dat walmende koekblik van plan was, antwoordde hij, verlegen glimlachend als een betrapt schoolkind: 'Het is een oud Curaçaos gebruik om in de Nieuwjaarsnacht alle vertrekken van het huis op deze manier uit te roken om de boze geesten van het afgelopen jaar te verdrijven en weer met een schone lei te kunnen beginnen. Ik heb dat net in mijn huis gedaan en ik denk dat dit hier ook geen kwaad kan.'

Ik stond als aan de grond genageld. Deze nuchtere boekhouder, een man van cijfers en getallen, en dan dit? In een fractie van een seconde schoot er van alles door me heen: van de boze geesten bij de Chinezen tot een cynische opmerking van 'verbeter de wereld, begin bij je buurman', wat ik gelukkig bijtijds inslikte. Want in een flits herinnerde ik mij ons gesprek na de Nachtmis, exact een week geleden. En terwijl ik hem volgde ons huis in besefte ik, dat hij met dit symbolisch gebaar de Kerstboodschap in al zijn kleinschaligheid beter had begrepen dan ik; in de praktische toepassing van de woorden : 'Vrede op aarde aan de mensen die van goede wil zijn!'....

   

 

 Onder de button DIVERSEN vindt u o.a. nog enkele artikelen en een apart filmpje over Curaçao.

 

TERUG

 


 


 

FAMILIE KROUT

KRONIEK VAN EEN VAALSER FAMILIE

 

SCHLOSS RAHE

TEN GELEIDE

Vanaf mijn prilste jeugd herinner ik me, dat ik gefascineerd luisterde naar de verhalen van mijn moeder, van dat zij op een kasteel was geboren, van een geheimzinnige Gravin, een nog geheimzinniger Koning.Voor mij vielen die verhalen onder de categorie sprookjes.

Later, toen ik niet meer in sprookjes geloofde, werd mij allengs duidelijk, dat die verhalen van vroeger wel degelijk een historische achtergrond hadden. En ik nam mij vast voor, om feiten en wederwaardigheden van de familie Krout te verzamelen, op te schrijven en zodoende te bewaren voor het nageslacht, vooraleer het in de vergetelheid zou geraken. En met onderstaande historie is dit voornemen ten langen leste gerealiseerd.

Daarmee pretendeer ik geenszins volledig te zijn. Mijn enige opzet is om feiten en gebeurtenissen weer te geven, voor zover die mij bekend zijn; hetzij door bronnenonderzoek of verslaggeving van anderen, hetzij uit eigen, persoonlijke waarneming.

Hoewel mijn streven gericht is op een waarheidsgetrouwe geschiedschrijving kan ik daarvoor alleen instaan voor zover het eigen waarneming betreft. Voor het waarheidsgehalte van mijn overige bronnen ben ik afhankelijk van wat anderen in het verleden hebben vergaard, hoewel dit welhaast volledig op geschreven berichten en genealogisch onderzoek berust. Met speculaties heb ik mij niet bezig gehouden.

Verder heb ik mij beperkt tot het gebeurde in de laatste 200 jaar. Relevante feiten van vóór 1800 bestaan alleen maar uit namen en geboorte- en sterfdata en zijn daarom nauwelijks interessant te noemen.

Een speciaal woord van dank aan mijn neef Al Hellebrand, evenals ondergetekende een Krout van moederszijde, voor het beschikbaar stellen van tekst- en fotomateriaal, zonder welk het voor mij niet mogelijk was geweest de navolgende geschiedenis te recapituleren.

Verdere bronnen zijn:
L. Roppe: Een omstreden huwelijk (Hasselt, 1962)
M. Bühl: Einiges aus der Familiengeschichte Krout / Bühl (Laurensberg /Aachen, 1995)

Vaals, mei 2011

© Ger Leenders.
 

KLIK HIER EN LEES HET HELE VERHAAL

FAMILIE LEENDERS

KRONIEK VAN EEN FAMILIE UIT MEERSSEN
 

Foto ter gelegenheid van zilveren bruiloft (1903)
 

TEN GELEIDE

Jaren geleden nam ik mij voor om feiten en wederwaardigheden van de familie Leenders te verzamelen, op te schrijven en zodoende te bewaren voor het nageslacht, vooraleer het in de vergetelheid zou geraken. En met onderstaande historie is dit voornemen ten langen leste gerealiseerd.

Daarmee pretendeer ik geenszins volledig te zijn. Mijn enige opzet is om feiten en gebeurtenissen weer te geven, voor zover die mij bekend zijn; hetzij door bronnenonderzoek of verslaggeving van anderen, hetzij uit eigen, persoonlijke waarneming.

Hoewel mijn streven gericht is op een waarheidsgetrouwe geschiedschrijving kan ik daarvoor alleen instaan voor zover het eigen waarneming betreft. Voor het waarheidsgehalte van mijn overige bronnen ben ik afhankelijk van wat anderen in het verleden hebben vergaard, hoewel dit welhaast volledig op geschreven berichten en genealogisch onderzoek berust. Met speculaties heb ik mij niet bezig gehouden.

Verder heb ik mij beperkt tot het gebeurde in de laatste 200 jaar. Relevante feiten van vóór 1800 bestaan alleen maar uit namen en geboorte- en sterfdata en zijn daarom nauwelijks interessant te noemen.

Verklaring van de foto's (waar nodig) vindt u achteraan.

Vaals, augustus 2011

© Ger Leenders
 

KLIK HIER EN LEES HET HELE VERHAAL

FAMILIE LEENDERS-KROUT

KRONIEK VAN EEN VAALSER ONDERNEMERSGEZIN IN DE 20STE EEUW

 

Trouwfoto van Frans en Trautchen Leenders-Krout, 24 november 1914

TEN GELEIDE

Na de geschiedenis van de Families Krout en Leenders is de Kroniek van de Familie Leenders-Krout, na 1914, een logisch gevolg. Hiervan kon ik, dank zij verhalen van mijn ouders en oudere broers en zussen, aangevuld met eigen ervaringen, een breder beeld schetsen.

Daarmee pretendeer ik geenszins volledig te zijn. Mijn enige opzet is om feiten en gebeurtenissen weer te geven, voor zover die mij bekend zijn; hetzij door bronnenonderzoek of verslaggeving van anderen, hetzij uit eigen, persoonlijke waarneming.

Hoewel mijn streven gericht is op een waarheidsgetrouwe geschiedschrijving kan ik daarvoor alleen instaan voor zover het eigen waarneming en genealogisch onderzoek betreft. Voor het waarheidsgehalte van mijn overige bronnen ben ik afhankelijk van wat anderen in het verleden hebben vergaard. Met speculaties heb ik mij niet bezig gehouden.

Verder heb ik mij beperkt tot het gebeurde tussen 1914, het jaar, waarin mijn ouders Frans en Trautchen trouwden en 1960, toen mijn vader stierf. De tijd daarvóór en daarna vat ik kort samen in een proloog en een epiloog.

Dank aan mijn broer Emil voor het verstrekken van heel wat foto- en feitenmateriaal.
Mijn neef Frans Cupedo alsook Leo Junggeburt wil ik danken voor het eindredigeren van deze Kroniek, wat duidelijkheid en leesbaarheid ervan ten goede is gekomen.

Verklaring van de foto’s (waar nodig) vindt u achteraan.

Vaals, september 2012

© Ger Leenders


KLIK HIER EN LEES HET HELE VERHAAL

 

1.TERUG VAN WEGGEWEEST.  Bezoek aan een supermarkt op Curaçao, februari 2011.  KLIK HIER

2. DE MONARCHVLINDER.        Locatie Resort Seru Coral, Curaçao, februari 2011.           KLIK HIER

3. EEN MISVERSTAND.               Kappersbezoek op Curaçao, februari 2014.                        KLIK HIER

4. EEN GOED GESPREK.              Bij het oude Postkantoor op Curaçao, februari 2014.       KLIK HIER

5. DRIELANDENWANDELING. Wandeling van 15 km. rondom Drielandenpunt.               KLIK HIER

6. RONDJE HOLSET.                    Wandeling van 11 km. rondom Holset.                               KLIK HIER

7. CURACAO 2008.                     Eigen filmpje (12 min.) op YouTube                                     KLIK HIER

8. VLIEGEN.                                   Eigen filmpje (12 min.) op YouTube                                     KLIK HIER